Tag Archives: zorgstelsel

Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

We kunnen er niet omheen, wie wij zijn…

Wie zijn wij? Wat willen wij? Waarom verwachten wij…? Wij als in u en ik, uw buurman, mijn buurvrouw, uw baas, mijn chef, uw beste vriend, mijn ergste vijand. Heb ik antwoorden? Ik heb vragen!

Waarom roepen we om zelfbeschikking terwijl we eisen dat we van de wieg tot de dood verzorgt worden? Waarom zoeken we uitdagingen om ons te ontplooien en zijn we bang voor verandering? Waarom reizen we naar de uithoeken van de wereld maar staan we argwanend, zo niet afwijzend, tegenover nieuwe buren als die niet hetzelfde kloffie dragen als de andere buren, laat staan dat het kloffie gedragen wordt door mensen die niet op ons lijken? Waarom rollebollen de bollebozen van de gevestigde socialistische organisaties over het beeldscherm terwijl een nieuwe economie van ongebonden sociale en grenzeloze samenwerking ontstaat? Waarom voelen we genoegdoening bij het zien van de radeloosheid bij de gewone man/vrouw van de zwakste eurolanden op de volgende crisismaatregel terwijl zij, net als wij, geen andere schuld hebben aan het ontstaan van de crisis dan het periodiek kleuren met het rode potlood? Waarom verwijten van onze medici en zorginstellingen dat ze zoveel kosten maken terwijl we eisen dat ze alle mogelijke middelen in zetten om onze dood zo lang mogelijk uit te stellen? Waarom vrezen we de eenzaamheid en zijn er steeds meer alleengaanden? Waarom…

Is het angst voor de vrijheid, of de zucht naar dwang? Is het dat we bang zijn dat ons iets onthouden wordt, of is het een afkeer voor verrassingen? Is het onze drang naar individuele vrijheid, of willen we de geborgenheid van samenzijn? Is het dat we uiteindelijk alleen aan onszelf denken, of willen we ons verbergen in het collectief?

Is dat het? Het is niet volledig of alles omsluitend, maar onmiskenbaar. We kunnen er niet omheen of erbuiten: we zijn onderdeel van het collectief in al haar veelvormige overeenkomsten, ieder een element van de mensheid.

Vergiftigt CVZ het Nederlands zorgstelsel?

Je kan van alles vinden van het conceptadvies van het College van Zorgverzekeringen (CVZ) om dure medicijnen voor enkele zeldzame ziekten niet meer te vergoeden[1], maar niet dat ze bang zijn voor het maatschappelijk debat. Voor de patiënten die het betreft, en hun directe omgeving, moet het een  schok zijn. Het gaat om hun leven en de kwaliteit van hun leven met een ernstige ziekte. Ik ben niet ziek, ik ken niemand met een zeldzame ziekte, het treft mij niet. Schouderophalen en verdergaan dus… niet. Vanaf het eerste moment dat ik op het NOS nieuws hoorde vroeg ik mij af welke gedachte erachter zit? Kan Nederland de kosten niet langer dragen, of wordt het CVZ sinds kort bestuurt door cijferfetisjen (het moeilijke woord voor cijferne..)?

Om met het laatste te beginnen: ik denk het niet. De goede lezer haalt hier al enige twijfel uit. Twijfel die wordt veroorzaakt door de achtergrond van de leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Advies[2]. Hoe groot is de invloed van de voormalig bankbestuurder, de wiskundige en de voorzitter van de RvB die “als bestuurslid van de stichting aeDex de belangen van woningcorporaties bij vastgoedindexeringen behartigt”? Natuurlijk, alle mensen in beide bestuursorganen hebben een aansprekende maatschappelijke, politieke en/of bedrijfsmatige achtergrond en opleiding. Maar als zij ons gezond verstand ter discussie stellen, mag ik dan vragen naar hun motivatie en onderbouwing?

Om terug te komen op het eerste punt, de centenkwestie, zoals het CVZ aangeeft gaat het om 85% van 44 miljoen voor de ziekte van Pompe en 11 miljoen voor het medicijn tegen de ziekte van Fabry[3], totaal 48,4 miljoen Euro. De totale begroting 2012 voor de zorguitgaven, het Budgettair Kader Zorg uit zorgpremies en Rijksbegroting, bedraagt 67 miljard en een beetje[4]. Het ‘beetje’ is ruim 187 miljoen. Uit dat ‘beetje’ kunnen ze de kosten voor de behandeling van de ziekten van Pompe en Fabry al 4 keer betalen.

Natuurlijk, een besparing van 48,4 miljoen per jaar bij stijgende zorgkosten is heel veel geld, en, om het in perspectief te plaatsen, het is minder dan 1 promille van de begroting voor de zorgkosten 2012. De gedachte erachter, datgene waar de maatschappelijke discussie over gevoerd moet worden, is welke zorg gaan we als Nederlandse maatschappij aan onszelf in de toekomst bieden?

In een reactie op televisie werd de vraag gesteld of het niet logischer zou zijn om mensen die bewust ongezond leven, zoals een zware roker die op hoge leeftijd longkanker krijgt, geen dure behandeling meer te geven. Wat is dat:  hoge leeftijd? Als je met pensioen bent/ De pensioenleeftijd is op zichzelf al een niet eenduidig begrip. En komt na de zware roker de zware drinker? In beide gevallen kan het CVZ wel flinke stappen maken in het drukken van de kosten: er zijn 800.000 zware rokers en 1,3 miljoen zware drinkers volgens Jellinek. Dan kan het CVZ toch heel wat mensen van behandeling uitsluiten, al kan het CVZ zich niet rijk rekenen door de aantallen op te tellen.

Uiteindelijk denk ik dat de het CVZ het zorgstelsel niet wil vergiftigen maar wel dat het onderwerp prioriteit op de politieke agenda krijgt. Een bijwerking van haar actie is dat zij een stijging van de verkoop van medicijnen tegen zware hoofdpijn veroorzaakt, vooral in Den Haag en omstreken. Dit voorlopig advies past namelijk prima bij de dossiers over woningmarkthervorming, arbeidsmarkthervorming, hypotheekrenteaftrek, onderwijsvernieuwing, …

Hadden ze maar een medicijn tegen politieke besluiteloosheid, zelfs als dat medicijn een miljoen per jaar per patiënt kost: het zijn tenslotte maar 225 ‘patiënten’.