Tag Archives: verwondering

Expansiedrift? Pas op voor expressiestress!

Gisteravond was een van de onderwerpen bij Pauw & Witteman “religiestress”. Het is eerder dit jaar geïntroduceerd door theoloog Mikkers in zijn gelijknamige boek. Het woord heeft kracht, het staat op zichzelf in eenvoud en helderheid. Het woord heeft zelfs recent een eigen website gekregen waar je kan toetsen of je het hebt: religiestress.

Het woord is ook door Van Dale genomineerd als woord van het jaar. Natuurlijk niet nadat Van Dale het woord een definitie heeft gegeven: ‘geheel van religieuze spanningen die kunnen optreden in een moderne, seculiere samenleving als die wordt geconfronteerd met traditionele godsdienstuitingen’. Wat mij daaraan verbaast is dat een zo helder gecomprimeerd woord een zo geëxpandeerde omschrijving nodig heeft. Is dat een teken van expansiedrift: ‘oncontroleerbare dwang om duidelijke woorden in nodeloos lange omschrijving weer te geven’? Als dat maar niet tot expressiestress leidt..

Bibberbezoek

Vandaag was het weer zover en, zoals gewoonlijk, kwam ik op de minuut af op tijd op de afspraak. Niet dat ik op elke afspraak zo punctueel ben, maar wel als ik naar de tandarts ga…, of de fysio, of osteopaat. Nu besef ik het, al komt het inzicht rijkelijk laat: ik heb een dwangneurose om bij elke arts, paat of peut stipt op tijd te zijn. Mijn geluk is dat deze tic niet behandeld hoeft te worden. Het is ook een onzinnige tic: hoe vaak moet je juist in de wachtkamer wachten? Dat het de ruimte nuttig gebruikt wordt betekent niet dat de praktijk ook efficiënt gebruik wordt, integendeel zou ik zeggen. Ja, sorry: ik dwaal af.

Om die tijd in wachtkamers zo kort mogelijk te laten zijn is mijn remedie de eerste afspraak van de dag te plannen. Het werkt, meestal. Vandaag dus niet. Mijn tandarts was er wel, ik kon zijn onmiskenbaar krakende stem vanuit de gang horen, maar nog niet beschikbaar voor mij. Er bleef niets anders over dan geduldig te wachten. Daarbij is het effect van de eerste afspraak dat ik de enige in de wachtkamer was. Alleen met geen ander gezelschap dat het schilderij dat “geschonken” was door de voormalige tandarts die de praktijk had overgedaan aan het collectief dat er nu inzat. Elke keer als de kraalogen van de in het bruin uniform gestoken, gezette, blozende, zittende  man met zijn grote rode alcoholneus mij aankeken vroeg ik het me af: was het de ultieme grap van de tandarts die ooit deze praktijk bestierde? Welk verhaal zat er achter dit fascinerend onooglijk schilderij? Had hij zijn praktijk overgedragen zonder er geld voor te vragen mits zijn schilderij in de wachtkamer kwam te hangen? En wie was die man, een tandarts uit het leger? Het toonbeeld van iemand die de liefde voor zijn werk verwarde met zijn sadistische neigingen? Een arts waar je als patiënt de bibbers van krijgt?

De opengaande deur onderbreekt mijn gedachte. Het is mijn tandarts. Tien minuten later sta ik weer buiten: alles in orde.

We kunnen er niet omheen, wie wij zijn…

Wie zijn wij? Wat willen wij? Waarom verwachten wij…? Wij als in u en ik, uw buurman, mijn buurvrouw, uw baas, mijn chef, uw beste vriend, mijn ergste vijand. Heb ik antwoorden? Ik heb vragen!

Waarom roepen we om zelfbeschikking terwijl we eisen dat we van de wieg tot de dood verzorgt worden? Waarom zoeken we uitdagingen om ons te ontplooien en zijn we bang voor verandering? Waarom reizen we naar de uithoeken van de wereld maar staan we argwanend, zo niet afwijzend, tegenover nieuwe buren als die niet hetzelfde kloffie dragen als de andere buren, laat staan dat het kloffie gedragen wordt door mensen die niet op ons lijken? Waarom rollebollen de bollebozen van de gevestigde socialistische organisaties over het beeldscherm terwijl een nieuwe economie van ongebonden sociale en grenzeloze samenwerking ontstaat? Waarom voelen we genoegdoening bij het zien van de radeloosheid bij de gewone man/vrouw van de zwakste eurolanden op de volgende crisismaatregel terwijl zij, net als wij, geen andere schuld hebben aan het ontstaan van de crisis dan het periodiek kleuren met het rode potlood? Waarom verwijten van onze medici en zorginstellingen dat ze zoveel kosten maken terwijl we eisen dat ze alle mogelijke middelen in zetten om onze dood zo lang mogelijk uit te stellen? Waarom vrezen we de eenzaamheid en zijn er steeds meer alleengaanden? Waarom…

Is het angst voor de vrijheid, of de zucht naar dwang? Is het dat we bang zijn dat ons iets onthouden wordt, of is het een afkeer voor verrassingen? Is het onze drang naar individuele vrijheid, of willen we de geborgenheid van samenzijn? Is het dat we uiteindelijk alleen aan onszelf denken, of willen we ons verbergen in het collectief?

Is dat het? Het is niet volledig of alles omsluitend, maar onmiskenbaar. We kunnen er niet omheen of erbuiten: we zijn onderdeel van het collectief in al haar veelvormige overeenkomsten, ieder een element van de mensheid.

De reisgenote

Stelvio in France

Het is net na halfnegen in de ochtend als ik uit het authentieke Franse hotel loop dat ter hoogte van Clermont-Ferrand in het prachtige Auvergne ligt. Zei ik ‘authentiek’? In de tijd bevroren is een betere omschrijving. Ik weet niet goed waarom ik er de vorige avond introk. Oké het was al 20.00 uur geweest en de dichtstbijzijnde stad was nog minimaal drie kwartier rijden over slingerende landwegen. En ja, ze had die combinatie van de innemende glimlach met die mysterieus donkere ogen waardoor een kamer met een tweepersoonsbed een meervoudige belofte inhoud. Ik accepteerde de kamer terwijl ik me afvroeg of er een Franse versie van Hotel California bestond: ik zou niet uit-checken! Het bleek een valse belofte: het was haar laatste handeling van die avond en ik werd overgelaten aan de gastvrijheid van het Nederlandse stel dat het hotel recent had overgenomen. Vriendelijk en doorleefd, zo zou ik ze omschrijven, net als het van rook doortrokken interieur dat uit verschillende brocante winkels bijeen geroofd leek. De folder? Die heb ik beleefd afgeslagen: het is ook zo een eind weg van Utrecht…Ik geloof dat ik afgedwaald ben.

Mijn Moto Guzzi Stelvio stond al bepakt klaar om het laatste deel van de terugreis af te leggen: 700 kilometer over kronkelende d-wegen over Luxemburg om bij Luik de snelweg op te duiken voor een laatste drempelvrij stuk. De navigatie aangesloten, tanktas vastgezet en…,  daar zat ze. Zonder iets te vragen had ze zich een plek verworven op mijn motor. Ongegeneerd was ze gaan zitten in afwachting van wat er komen zou. Even overwoog ik haar weg te sturen. Toen bedacht ik dat zij het waarschijnlijk ook niet langer bij het hotel uithield. Ik zette mijn helm op, trok mijn handschoenen aan en vertrok.   

Het was droog, droog maar fris, natte neus en koude over je ruggengraat fris. De zon deed zijn best door de sluierbewolking heen te branden maar slaagde daar amper in. De kronkelende rode asfaltweg lag als een uitdagend spoor door het hooggelegen heuvelachtige landschap. De Stelvio vond de route feilloos en vrat de weg onder de banden op. Door de stijgende temperatuur werd het met 9 0C bijna aangenaam, bijna! Zonder te kijken voelde ik dat zij er nog zat, veilig verscholen achter het grote scherm. De eerste 100 kilometer zat erop en het oplichtende waarschuwingslampje gaf aan dat een tankstop verstandig was. Ik stopte bij de eerste gelegenheid en zag dat de tegenoverliggende bar op deze zondagochtend open was. Dat zij niet op mijn uitnodiging inging weerhield mij er niet van om er een café te drinken. Toen ik terugkwam zat ze er nog. Ik haalde mijn schouders op en al snel waren we weer onderweg. Ik begon mij af te vragen waar zij heen wilde? Zou ze meerijden tot mijn huis? Ik had ondertussen door dat zij mijn taal niet sprak, al leek ze me wel te begrijpen. Of zou ze onderweg afscheid nemen? Onverwacht, net zo onaangekondigd als ze op de Guzzi was gaan zitten? Ik zou het vanzelf merken.

De weg veranderde: zwart asfalt, bredere wegen, meer verkeer. Ik wist dat het nog 30 km zou duren voor ik weer de landelijke wegen zou treffen. Eerst nog de drukte van een middelgrote stad door: zij trok zich er niets van aan. Het landschap ontvouwde zich weer in de pracht van het gedorste glooiende graanakkers en groene weilanden. De teller gaf aan dat er weer 150 kilometer door de Stelvio verslonden waren. Een volgend dorp vroeg om een aangepaste snelheid. Ik merkte dat mijn passagier onrustig werd. Was het een teken dat wij snel afscheid zouden nemen? Het doorgehaalde naambord gaf aan dat ik de dorpsgrens weer overschreed en ik liet de Stelvio accelereren. Tot mijn verbazing sprong zij toen van de motor, de grote groene sabelsprinkhaan. Ik zie haar lange voelsprieten nog in de wind trillen. De laatste 700 kilometer heb ik zonder reisgenoot afgelegd.

De Maaltijd: een klein theater

Het handgeschreven menu dat achter glas naast de voordeur hangt is voor mij een uitnodiging om naar binnen te gaan. Dat het acht uur ‘s avonds is en ik trek heb en op zoek ben naar een restaurant heeft ook zo zijn invloed. Het ligt in een zijstraat van een klein, authentiek dorp in de Languedoc-Roussillon. Vanaf de doorgaande weg staat aangegeven dat het de afslag naar de kerk is en een wijngaard. Hoe ik het toch gevonden heb? Het was mijn overtuiging dat er in het dorp toch minimaal een restaurant moest zijn.

Het is een huiskamer formaat restaurant waar je met twee keer vallen in de keuken belandt. Ik word vriendelijk ontvangen en krijg een tafeltje ingeklemd tussen een ouder Brits echtpaar met een zwaar accent, een tafel van vier en met uitzicht op een Frans gezelschap van vijf personen. Ik ben precies op tijd, de gasten die twee minuten na mij komen krijgen te horen dat het vol is.

Het is lang geleden dat ik Franse les in krijt op zwartbord kreeg.Vanavond begint mijn volgende les: Franse keuken. Met een beetje schutteren en mijn charmantste lach lukt het mij een voor- en hoofdgerecht te bestellen met een, ja een, glas rode wijn. Na de bestelling vraagt de gastvrouw of ik hier voor zaken ben? ‘Nee,’ antwoord ik in mijn beste Frans, ‘ik ben op vakantie.’

‘Alleen?’, is haar verbaasde antwoord. Haar intonatie en gezicht verduidelijken haar empathie.

Uit het boekje dat onopvallend prominent op mijn tafel ligt maak ik op dat het restaurant vermeld staat in een gids van beloften. Ik schrik niet, de prijzen heb ik al gezien. Het voorgerecht overtreft mijn verwachting, de wijn ook. De tafel van vier naast mij wordt bezet door een tweede Brits gezelschap. Deze groep kan ik zelfs verstaan. Naast mij krijgt de tafel van twee hun hoofdgerecht. Het is duidelijk dat ze ervan genieten: elleboog op tafel, vork in het vuist en prikken maar.

Het Franse gezelschap, contrastvol elegant gekleed in verhouding tot de niet ingezetene gasten, voert een geanimeerd gesprek. Door de korte afstand – hoeveel afstand kan je creëren met 16 zitplaatsen aan gescheiden twee- en vierpersoons tafels in een woonkamer van vier bij vijf meter? – en de ondersteunende mimiek kan ik op hoofdlijnen volgen waarover ze praten, zelfs door het te luide gekakel van de Britse tafel van vier! Ondertussen heb ik ook mijn hoofdgerecht, dat net zo proeft als het smaakvol is opgediend, opgegeten.

Wanneer ik een kwartier later na een café als afsluiter weer buiten sta heb ik € 28,50 afgerekend. Ik vind het een prima bedrag voor een geweldige maaltijd in een klein theater.

 

 

 

Lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes

Toekomst van het lezen? Volg de generatie (2)

De nog naamloze generatie, de mensen die vanaf 2000 zijn geboren, heeft zijn collectieve bewustzijn, en daarmee de reactie op de tijdsgeest waarin deze tot stand komt, nog niet gevormd. Het is de generatie die opgroeit in opeenvolgende economische crisissen, revoluties gedragen door de onstuitbare communicatiemogelijkheden van social media, beschamende onderwijsinstituten, swipen en (straks) met een tablet vol studieboeken naar school fietst. Daarin zie ik geen hoopvol aanknopingspunt voor de uitgevers van de gedrukte media. Of het ‘Actieplan Kunst van het Lezen 2012 – 2015’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een leesrevolutie te weeg brengt… Het zal in ieder geval de taalvaardigheid van de jeugd verbeteren.

Een manier om het leesgedrag te bevorderen is de aankomende generaties duidelijk te maken dat lezen een avontuur is. Die lezen laat concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding zoals sporten, on- en offline gamen en interactieve televisie. Hierbij gaat het om de verwachting van de beleving en het kunnen delen van die beleving met anderen. Het natuurlijk gedrag van kinderen als ze ouder worden is dat ze hun grenzen willen verkennen, nieuwe vrijheden veroveren en al zoekende naar voeding voor de hormonaal gestuurde sensatiehonger de wereld van internet en televisie omarmen. Een digitale wereld waar ze onverbloemd seks en oorlog – fantasieloos plastisch of gruwelijk realistisch – voor hun voeten geworpen krijgen. Het ´mooie´ is dat de bevrediging van de primaire puberale noden ´gratis´ is. Er hoeft niet voor betaald te worden én het vraagt geen andere inspanning dan naar een scherm te staren. Een boek heeft die voordelen niet, ongeacht of ervoor betaald wordt; lezen is een inspanning: om de beloning te krijgen moet je ervoor werken. Hiermee kom ik niet in conflict met het idee dat je lezen moet laten concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding,­ sporten en gamen vereisen tenslotte ook een inspanning, maar vraag ik me wel af of het leesgedrag van deze leeftijdsgroep werkelijk te beïnvloeden is? Natuurlijk, ook zij worden beïnvloed: door hypes en helden, door apps en X-factor,  altijd bereik en altijd zichtbaar. Ze zijn gelinkt met al hun muziek- en sporthelden, maar hoeveel hebben een link met een schrijver?

Is het daarmee een verloren zaak? Of wordt alleen de verkeerde leeftijdsgroep benaderd ? Lezen hoeft niet te concurreren met social media en online gaming; lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes, met poppenwagen en lego. Aanwijzingen dat juist bij jonge kinderen de toekomst van het lezen wordt bepaald is te lezen in “Over ouders en leesopvoeding”[1].van Natascha Notten en in Sociale (lees)activiteiten zijn belangrijk voor de taalontwikkeling van zeer jonge kinderen[2] van Merel van Goch. De nationale voorleesdagen, waar ook BNN-ers zich graag van hun erudiete zijde laten zien, dragen dus werkelijk bij aan de leesvaardigheid, en daarmee de toekomst van de uitgevers. En, vraag ik me dan af, wat doen de uitgevers om hun toekomst te garanderen? Zijn er alleen initiatieven van kinderboekenschrijvers die zelf de mogelijkheid van voorlezen op scholen en bibliotheken aanbieden en organiseren? Uitgevers vallen onder de creatieve industrie, maar waar zijn hun vernieuwende ingevingen? Als promotie voor een film of via een spaaractie bij een grootgrutter kan, waarom kan dat niet voor kinderboeken? Als een door NV Nederland gecontroleerde loterij kaarten voor musicals kan weggeven, waarom dan geen (kinder)boek of –boekenbon?

Maar dat de komende generaties voornamelijk digitaal zullen lezen is voor mijn geen vraag meer onderdeel van de natuurlijke evolutie van de aankomende swipegeneraties.

Toekomst van het lezen? Volg de generatie.

Al sinds 1975 besteedt elke opvolgende generatie minder tijd aan lezen dan de voorgaande generatie. Is dat nieuws? Nee. De cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2010) en diverse onderzoeken[1] die in opdracht van Stichting Lezen zijn uitgevoerd bevestigen die trend. Ondanks die voortdurende daling zijn uitgevers er tot 2009 in geslaagd het aantal verkochte boeken en de omzet te laten stijgen[2]. Als oorzaak voor de kentering van het aantal verkochte boeken werd de crisis van 2008 als belangrijke reden opgevoerd. Het is nu 2012 en de omzet en het aantal verkochte boeken daalt nog altijd. De nieuwe – of voortdurende? –  crisis aanwijzen als schuldige verandert niets aan de onderliggende trend: er wordt minder tijd aan lezen besteed. Is daarmee ook de toekomst van het lezen voorspelbaar? En zo ja, is het verloop (nog) te beïnvloeden?

Er zijn vijf ‘actief’ lezende generaties: stille generatie, babyboomers, generaties X en Y en Einstein. De generatie die nu zijn overgang van studie naar werk en gezin maakt, generatie Einstein, is sociaal bewegelijk, betrokken en uitdaging zoekend. Van deze generatie wordt door ondernemingen in de praktijk de voorspellende waarde getoetst van de voorgaande visies over hoe deze consument te vermaken en aan je product te binden. Die trendvoorspellingen werden gedaan door de  babyboomende ‘goeroes’. Net als hun voorspellingen zijn ze achterhaald door ‘trendwatchers’ die het socializen commercieel hebben doorgrond door op twitter en facebook naamsbekendheid op te bouwen. Het zijn dezelfde trendwatchers die nu met lezingen, interviews, boeken – de ‘oude media’ – en bedrijfsadviezen hun inkomen verdienen.  Dat de trendwatchers aangeven dat het lezen van e-boeken zal toenemen ten kosten van het papieren boek is geen verrassing: het wordt zelfs door de traditionele uitgevers onderschreven. Opvallend is het gedrag waardoor ze zich laten onderscheiden: de een predikt en de ander prevelt.

Goed, we hebben dus wijze mensen die de trends in vrijetijdsbesteding en consumptie van de archetypen kunnen analyseren en daarmee de huidige tendens kunnen verklaren. Maar wat verandert er daardoor? Kan de verschuiving van gedrukte media naar de digitale wereld nog veranderd worden? Worden manuscripten nog met een kroontjespen geschreven? Nee, maar daarmee is de pen niet uit ons leven verdwenen, en zal het gedrukte boek ook niet zomaar verdwijnen.



[1] Stichting Lezen. http://www.lezen.nl/index.html?spsearch=&age_group_id=0&menu_item_id=105

[2] Kerncijfers Koninklijke Vereniging van het Boekenvak: http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers