Tag Archives: spelen met taal

Mijn weg naar schrijverschap

Mijn aanloop naar het schrijverschap is een pad waarbij ik het eindpunt nog niet bereikt heb: een gepubliceerd boek. Ondertussen heb ik geleerd dat er voor aankomende schrijvers geen routebeschrijvingen bestaat waarmee de eindbestemming gegarandeerd gevonden wordt. Het is pionieren met landkaarten waar stukken nog niet ingetekend zijn. Het is zoeken naar een schatkaart waarbij het kruisje op de juiste plek staat. De schatkaarten hebben wel een aantal terugkerend aanknopingspunten op de kaart staan.

Lees!

Lees boeken van succesvolle schrijvers, hun stijl, dialogen, plot, spanningsopbouw; lees over de techniek van schrijven, over stijl, fictie, non-fictie;  lees boeken van stilisten, die inzicht geven, verrassend zijn, verwarrend zijn. Er is zoveel te lezen!

Schrijf!

Schrijf korte verhalen of anekdotes. Schrijf een verhaal voor een schrijfwedstrijd die grenzen aan omvang, vorm of onderwerp stellen. Schrijf zonder onderbreking vanuit gevoel en corrigeer achteraf. Schrijf bedachtzaam de woorden tot zinnen aaneenrijgend. Schrijf blogs of schrijf reacties op blogs. Er is zoveel te schrijven!

Ontdek!

Schrijven is beleving neerzetten in taal. Het is creativiteit vastleggen in woorden. Een bron voor creativiteit zijn nieuwe indrukken. Verrassing en verwarring zijn de verleiders voor het schrijven van een verhaal. Ga naar buiten, kijk om je heen;  ga naar een expositie, concert of film; ontmoet mensen, sta open voor nieuwe ideeën: zwijg en luister. Er is zoveel te ontdekken!

Ik ben onderweg en denk dat ik de juiste kaart in handen heb.

Het is oké om voldoening te halen uit het bestuderen van groeiend gras, maar accepteer het risico een plant te worden.


Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

Onweerstaanbare Haagse aantrekkingskracht

Vanuit zijn stoel kijkt hij door een van de ramen van de torenkamer naar buiten. Het Haagse heeft al vroeg een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem gehad en nu zit hij in het centrum van de macht, zonder alles in zijn macht te hebben: de laagstaande zon dwingt hem met zijn ogen te knijpen; zijn functie dwingt hem compromissen te sluiten. Gewoontegetrouw doorloopt hij de tekst op zijn beeldscherm nog een keer voor hij op ‘verzenden’ klikt. Ook de inhoud van deze e-mail is een compromis. De onverzettelijke tijd geeft niet de ruimte om zijn gedachten scherper te verwoorden, om meer van zichzelf te laten spreken zonder eenkennig  te zijn. Hij is een bestuurder die moet verwoorden wat er door de verschillende partijen gezegd en afgesproken is. Zijn eigen stem mag de anderen niet zo overstemmen dat  zij zich er niet meer in terug horen. Het stuk wordt nog door het secretariaat doorgenomen voor het openbaar komt. Het is reservetijd voor een heldere ingeving. Tijd die zelden benut wordt. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van iemand die door de gang rent. De deur wordt opengegooid.

“Papa!”

Zij is zijn geheim. Haar onbevangen openheid herinnert hem steeds zonder vooroordeel te luisteren. Zij voedt zijn energie. Haar  ongeremde ontdekkingsdrift stimuleert hem veranderingen nieuwsgierig te benaderen.  Zij is zijn belangrijkste achterban. “Dag Lotte, lieve schat van me. Krijgt papa een knuffel van je?” De vraag is retorisch. Hij kan nog net zijn armen openen om Lotte op te vangen die zich op hem stort en haar armen om zijn nek slaat.

“We hebben een ijsje gegeten en ik heb met mamma nieuwe schoenen gekocht en morgen ga ik bij Milou spelen, oh een vogel!” Lotte rent naar het raam en klimt op de stoel om de meeuw die op de raamdorpel is geland te bewonderen.

Hij staat op en loopt naar Eline die achter Lotte aan de kamer binnengewandeld is. “Dag schat.” Hun kus is teder.

“Heb je de krant gezien? Je artikel staat er in, letter voor letter.” Opgewonden slaat Eline de krant open.

Hij neemt de krant over en leest hardop: “Laten we over onze schaduw heen springen, door Ruud Maanzaad, de nieuwe wethouder van Integratie en Cultuur.” Glunderend kijkt hij naar zijn vrouw. De aandrang om het hele artikel uit te spellen is sterk. De opwinding die hij in zijn jeugd voelde bij het lezen van een spannend verhaal komt weer terug als het plan om de verschillende culturen in de stad bij elkaar te brengen voor zijn ogen ontvouwt. Het is zijn tekst, zijn idee.

“Papa!”

Hij kijkt naar Lotte die van de stoel klimt en zich naar hun omdraait. De laagstaande zon werpt haar schaduw door de kamer. “Dat heeft papa toch goed gedaan, Lotte!”, zegt hij trots.

Met haar ogen naar de grond gericht springt ze vooruit. Dan kijkt ze achterom en vervolgens glunderend naar haar vader. “Dat kan toch niet papa, over je schaduw springen!”

Dit was mijn inzending voor de schrijfwedstrijd “Laten we over onze schaduw heen springen.” Niet genomineerd, jammer.

Lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes

Toekomst van het lezen? Volg de generatie (2)

De nog naamloze generatie, de mensen die vanaf 2000 zijn geboren, heeft zijn collectieve bewustzijn, en daarmee de reactie op de tijdsgeest waarin deze tot stand komt, nog niet gevormd. Het is de generatie die opgroeit in opeenvolgende economische crisissen, revoluties gedragen door de onstuitbare communicatiemogelijkheden van social media, beschamende onderwijsinstituten, swipen en (straks) met een tablet vol studieboeken naar school fietst. Daarin zie ik geen hoopvol aanknopingspunt voor de uitgevers van de gedrukte media. Of het ‘Actieplan Kunst van het Lezen 2012 – 2015’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een leesrevolutie te weeg brengt… Het zal in ieder geval de taalvaardigheid van de jeugd verbeteren.

Een manier om het leesgedrag te bevorderen is de aankomende generaties duidelijk te maken dat lezen een avontuur is. Die lezen laat concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding zoals sporten, on- en offline gamen en interactieve televisie. Hierbij gaat het om de verwachting van de beleving en het kunnen delen van die beleving met anderen. Het natuurlijk gedrag van kinderen als ze ouder worden is dat ze hun grenzen willen verkennen, nieuwe vrijheden veroveren en al zoekende naar voeding voor de hormonaal gestuurde sensatiehonger de wereld van internet en televisie omarmen. Een digitale wereld waar ze onverbloemd seks en oorlog – fantasieloos plastisch of gruwelijk realistisch – voor hun voeten geworpen krijgen. Het ´mooie´ is dat de bevrediging van de primaire puberale noden ´gratis´ is. Er hoeft niet voor betaald te worden én het vraagt geen andere inspanning dan naar een scherm te staren. Een boek heeft die voordelen niet, ongeacht of ervoor betaald wordt; lezen is een inspanning: om de beloning te krijgen moet je ervoor werken. Hiermee kom ik niet in conflict met het idee dat je lezen moet laten concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding,­ sporten en gamen vereisen tenslotte ook een inspanning, maar vraag ik me wel af of het leesgedrag van deze leeftijdsgroep werkelijk te beïnvloeden is? Natuurlijk, ook zij worden beïnvloed: door hypes en helden, door apps en X-factor,  altijd bereik en altijd zichtbaar. Ze zijn gelinkt met al hun muziek- en sporthelden, maar hoeveel hebben een link met een schrijver?

Is het daarmee een verloren zaak? Of wordt alleen de verkeerde leeftijdsgroep benaderd ? Lezen hoeft niet te concurreren met social media en online gaming; lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes, met poppenwagen en lego. Aanwijzingen dat juist bij jonge kinderen de toekomst van het lezen wordt bepaald is te lezen in “Over ouders en leesopvoeding”[1].van Natascha Notten en in Sociale (lees)activiteiten zijn belangrijk voor de taalontwikkeling van zeer jonge kinderen[2] van Merel van Goch. De nationale voorleesdagen, waar ook BNN-ers zich graag van hun erudiete zijde laten zien, dragen dus werkelijk bij aan de leesvaardigheid, en daarmee de toekomst van de uitgevers. En, vraag ik me dan af, wat doen de uitgevers om hun toekomst te garanderen? Zijn er alleen initiatieven van kinderboekenschrijvers die zelf de mogelijkheid van voorlezen op scholen en bibliotheken aanbieden en organiseren? Uitgevers vallen onder de creatieve industrie, maar waar zijn hun vernieuwende ingevingen? Als promotie voor een film of via een spaaractie bij een grootgrutter kan, waarom kan dat niet voor kinderboeken? Als een door NV Nederland gecontroleerde loterij kaarten voor musicals kan weggeven, waarom dan geen (kinder)boek of –boekenbon?

Maar dat de komende generaties voornamelijk digitaal zullen lezen is voor mijn geen vraag meer onderdeel van de natuurlijke evolutie van de aankomende swipegeneraties.

Toekomst van het lezen? Volg de generatie.

Al sinds 1975 besteedt elke opvolgende generatie minder tijd aan lezen dan de voorgaande generatie. Is dat nieuws? Nee. De cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2010) en diverse onderzoeken[1] die in opdracht van Stichting Lezen zijn uitgevoerd bevestigen die trend. Ondanks die voortdurende daling zijn uitgevers er tot 2009 in geslaagd het aantal verkochte boeken en de omzet te laten stijgen[2]. Als oorzaak voor de kentering van het aantal verkochte boeken werd de crisis van 2008 als belangrijke reden opgevoerd. Het is nu 2012 en de omzet en het aantal verkochte boeken daalt nog altijd. De nieuwe – of voortdurende? –  crisis aanwijzen als schuldige verandert niets aan de onderliggende trend: er wordt minder tijd aan lezen besteed. Is daarmee ook de toekomst van het lezen voorspelbaar? En zo ja, is het verloop (nog) te beïnvloeden?

Er zijn vijf ‘actief’ lezende generaties: stille generatie, babyboomers, generaties X en Y en Einstein. De generatie die nu zijn overgang van studie naar werk en gezin maakt, generatie Einstein, is sociaal bewegelijk, betrokken en uitdaging zoekend. Van deze generatie wordt door ondernemingen in de praktijk de voorspellende waarde getoetst van de voorgaande visies over hoe deze consument te vermaken en aan je product te binden. Die trendvoorspellingen werden gedaan door de  babyboomende ‘goeroes’. Net als hun voorspellingen zijn ze achterhaald door ‘trendwatchers’ die het socializen commercieel hebben doorgrond door op twitter en facebook naamsbekendheid op te bouwen. Het zijn dezelfde trendwatchers die nu met lezingen, interviews, boeken – de ‘oude media’ – en bedrijfsadviezen hun inkomen verdienen.  Dat de trendwatchers aangeven dat het lezen van e-boeken zal toenemen ten kosten van het papieren boek is geen verrassing: het wordt zelfs door de traditionele uitgevers onderschreven. Opvallend is het gedrag waardoor ze zich laten onderscheiden: de een predikt en de ander prevelt.

Goed, we hebben dus wijze mensen die de trends in vrijetijdsbesteding en consumptie van de archetypen kunnen analyseren en daarmee de huidige tendens kunnen verklaren. Maar wat verandert er daardoor? Kan de verschuiving van gedrukte media naar de digitale wereld nog veranderd worden? Worden manuscripten nog met een kroontjespen geschreven? Nee, maar daarmee is de pen niet uit ons leven verdwenen, en zal het gedrukte boek ook niet zomaar verdwijnen.



[1] Stichting Lezen. http://www.lezen.nl/index.html?spsearch=&age_group_id=0&menu_item_id=105

[2] Kerncijfers Koninklijke Vereniging van het Boekenvak: http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers