Tag Archives: schrijverij

Boeoeoe – Proloog (2)

Zou het pijn hebben gedaan, met die motor op de auto knallen?

–dus u draait van het erf de weg op en dan rijdt de motor tegen uw auto?’ De ander stem weer.

‘Die klap! Ik zag hem niet: de zon! Wat een klap.’

De andere man keek naar de motor die zich rechtopstaand in de auto geboord had. Het achterwiel van de motor hing bijna een meter boven de grond ter hoogte van de plek waar het rechtervoorwiel van de auto had gezeten. ‘Hij moet over de auto gevlogen zijn en in het weiland terecht gekomen, maar waar?’

Dat had hij wel gehoord.

‘Boeoeoe.’

Ook dat. Nu waren ze er nog, koeien, maar hoe lang nog? Gisterenavond was het groot in het journaal: de eerste hamburgers van gekweekt vlees waren op weg naar de supermarkt. Met de stamcellen van een koe konden ze tegen de honderdduizend biefstukken produceren en het smaakte zelfs beter, volgens de fabrikant dan. De koe loeide opnieuw. Als hij dat kon horen, dan moesten zij het loeien toch ook horen? Waarom zagen ze hem dan? Waarom leek het alsof de koe– Het kraken onderbrak zijn gedachte. Het loeien van koeien klonk luid in zijn oren.

Hij had gemerkt dat hij viel, dat zijn kaken op elkaar klapten toen het vallen ophield en had niets gevoeld…

‘112. Goedenavond. U belt voor spoedeisende hulp?’

‘Hij is op de koe gevallen. De motorrijder is uit de boom gevallen,’ zei de stem; verward verbaasd.

‘Op de koe… Is er sprake van persoonlijk letsel?’

 

Zelf doen

“Kan ik helpen met snijden?”, vraagt Annelies.
Het is de jaarlijkse week wintersport. Le Corbier Frankrijk dit keer en een heel huis voor onze groep van zes. Vandaag is het mijn beurt om voor het avondeten te zorgen. Het recept voor de quiche is aangepast op de lokaal verkrijgbare producten: het wordt een aardappel-venkel-champignon-paprika ovenschotel.
“Dat hoeft niet, de aardappels zijn al gedaan.”

“Merci Madam”, zeg ik en pak mijn bankpas en de kassabon aan. Terwijl ik naar mijn auto loop berg ik ze op in mijn portemonnee.
“Je vindt het toch niet erg dat ik hier ben gaan zitten?”, zegt Annelies als ik achter het stuur ga zitten.
“Nee hoor, gezellig.”
“Ik heb de hele reis nog niet voorin gezeten.” Ze wrijft met haar hand langzaam over het dashboard, voelt het ruw gevormde kunststof, maakt kennis met de voor haar nieuwe plek.

Ik start de auto en kijk naar Annelies. Enkele seconden gaan voorbij, dan kijkt ze naar mij, ze fronst. “Voorin moet je wel de gordel omdoen.”
“Oh.” De ogen zijn groot.
Ik lach, “anders gaat de auto piepen.”
“Als je moe bent moet je het zeggen, dan rijd ik.”
Ik zet de auto in de eerste versnelling en trek op.

In het westen worden de wolken aangelicht door de ondergaande zon, wij moeten naar het noorden. Nog 450 kilometer naar Maastricht, de snelheidsregelaar op de toegestane 130, het navigatiesysteem geeft aan dat we er om 00.05 uur zijn. Met de stuurbediening geef ik Johnny Clegg and Savuka een stem in de beperkte ruimte. “Tijd voor Afrikaanse sferen,” zeg ik.
“Wil je een dropje of pepermuntje?”, vraagt Annelies.
“Nee dank je, ik kan overal bij.”

“Zijn we al in Belgiē?”, vraagt Annelies.
“Bijna, we zitten nog net in Luxemburg.” Ik trek de middenarmsteun omhoog en pak het snoepblik uit het opbergvak. “Iemand een Ricola?”
De armsteun wil niet terug. Met een hand probeer ik orde in het opbergvak te creēren.
“Lukt het?”
Mijn vingers zitten klem tussen twee blikken en de wand van het opbergvak. “Ja hoor.”
“Zelf doen.”
… Ik trek mijn hand terug.
Annelies neemt het over.

 

2012 in retrospectief? Nee dank je.

2012 ten einde

Zoals aan alles komt ook aan dit jaar een einde. Ik kom in de verleiding er een cliché aan te koppelen, maar ik doe het niet, ik vertik het, het is te eenvoudig, te kinderlijk. Ik wil niet terugblikken op 2012. Geen retrospectief over de veronderstelde gemene deler die 2012 kenmerkt. Waarom ook? Met zoveel mensen die vanuit hun eigen perspectief kijken, wordt  elke uitkomst daardoor niet als onevenwichtig beschouwd?

2012 in historisch perspectief

Bovendien wordt het jaar doorkruist vanuit historisch perspectief. De geschiedenis voorspeld dat dit jaar te eindigen op 21-12-2012.  Als je daar over nadenkt, en als weldenkend mens is dat een niet te stoppen eigenschap, betekent het dat er na de 21ste er geen perspectief meer is: voor niemand! Zul je net zien: geen oud en nieuw, geen oliebollen, geen champagne, wel een knal! En als ik ergens een hekel aan heb is het geluidsoverlast.

Doorstomen naar 2013

Ach, ik ben geen doemdenker of familie van Sombermans: in het ergste geval slaan we kerst dit jaar over en stomen direct door naar 1 januari 2013. Proost! Oh nee, er was geen champagne…

Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

Ontmaskerd: Kunst of Kitsch?

Zonnebloemen

Volgens de navigatie zijn we er bijna als een verkeersbord ons informeert dat de weg geblokkeerd is en alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Ik ken mijn bestemming en rijd door tot de achterste vrije parkeerplaats. Kort daarop lopen mijn reisgenoot en ik het museum in. De feloranje rugzak die ik draag vloekt in kleur en stijl met mijn  donkerblauwe colbert. Ik geneer me er niet voor omdat ik de inhoud ken, ook van de rugzak. Daarbij draag ik een eettafel-voor-zes lang en breed schilderij in mijn handen. De prachtige zonnebloemen zijn onder grijze paardendeken verstopt. Het schilderij is van mijn reisgezelschap. Zij draagt ook twee onder doek verstopte schilderijen. De enig mogelijke elegante entree die wij nog kunnen maken is met een ontwapenend vriendelijke glimlach.

Oude Meester

Aan een tafel krijgen wij op vertoon van onze toegangskaarten twee nummertjes. Ze beloven een wachttijd van meer dan een uur. Het prachtige nazomerweer nodigt ons uit om op het terras te wachten. We vinden plek aan een tafel waar een ander stel zit. Nadat tijd en zon de lokale atmosfeer ontdooit heeft gaat het gesprek over schilderijen, natuurlijk gaat het over schilderijen: zij hebben er ook een bij zich.

“We hebben het al eens laten taxeren,” vertrouwt de man ons toe. “Volgens de galeriehouder was het een oude meester waar hij zo 5.000 gulden voor bood. Wij hebben geen haast om het te verkopen.”

“Zo, u durft wel, ” zeg ik en knik respectvol voor zijn gewaagde handelsgeest. Dan wordt de serie nummers omgeroepen waar wij onder vallen. Wij staan op, net als onze tafelgenoten die onder dezelfde groep vallen. We wensen elkaar succes.

Dat is een vervalsing

Beneden in de lange en brede gang zitten de experts elk aan een eigen tafel. Wij gaan eerst naar ‘Schilderijen’. Er is een voorselectie en we sluiten aan in de rij. Al snel komen we binnen gehoorafstand.

“Helaas, dat is een vervalsing mevrouw,” zegt de expert na een blik op het schilderij geworpen te hebben.

“Ohhh,’ zegt ze opgelaten. Met een stijgende blos op haar gezicht loopt ze samen met haar gezelschap snel weg.

“En nog een slechte ook,” laat de expert zich ontvallen.

Ze doet alsof ze het niet hoort.

De vrouw voor ons onthult een pentekening.

De expert bekijkt het snel van alle kanten. “Dat moet ik even opzoeken en hij pakt zijn tablet.”

De vrouw stapt ondertussen opzij en mijn reisgenoot legt de eerste van haar schilderijen op tafel.

Als een roofvogel duikt de expert er op. Het verschuiven van de bril naar het voorhoofd is een dubbele bevestiging dat deze havik niet alles meer scherp ziet. “U mag naar tafel twee,” is het resolute oordeel. Wij lopen door als onze eerdere tafelgenoten met hun meester naar de tafel lopen.

Op televisie

Hier krijgt de aanbieder van de vermeende kunst de aandacht van de expert die het werk verdient.

“Die etsen zijn kunstig nagemaakt,” verklaart deze expert gedecideerd na het werk te hebben bestudeerd.

Wij zijn aan de beurt en mijn reisgenote overhandigd de eerste twee schilderijen.

“Ik ken de schilder niet,” erkent hij direct. “Ik kan het opzoeken, maar zo te zien zijn de  schilderijen in de eerste helft van de 20ste eeuw in Duitsland gemaakt.” Nadat hij bevestiging van mijn reisgezelschap krijgt vervolgt de expert: “het zijn goede schilderijen en van dezelfde schilder maar niet uitzonderlijk.”

Het is het antwoord waar naar gezocht werd. Er wordt ruimte gemaakt en ik overhandig voorzichtig het derde schilderij.

“Dit is gedurfder geschilderd. Zij was duidelijk bekend met, waarschijnlijk geïnspireerd door Van Gogh. Een mooi origineel werk, maar ook niet uitzonderlijk genoeg voor onze opnames.”

Zichtbaar opgelucht neemt mijn reisgenote het schilderij weer aan. Op televisie? Echt niet!

Ontmaskert

Met de weer aangeklede schilderijen lopen we naar de expert voor niet-Westerse kunst, Jaap Polak, en sluiten aan in de rij. Op dat moment staat hij op vanachter zijn tafel.

“Komen jullie voor mij of staan jullie op de bus te wachten? Kom erbij, hier gebeurt het.”

Jan Polak houdt van zijn publiek en we gaan naar de tafel. Dit is het moment waarop ik mijn rugzak afdoe. Jan Polak wisselt tussen razendsnelle kwinkslagen: “Chinese winkel 6,95.‘ en een geduldige uitleg over de betekenis van de christelijke afbeelding op het houten paneel.

Ondertussen ben ik bij de hoek van de tafel aangekomen en haal de Afrikaanse maskers uit mijn rugzak en leg deze op de tafel. Ik zie dat Polak het ziet maar moet geduld hebben.

“Dat is Benin,’ zegt Polak wijzend naar mijn bronzen masker. “Gemaakt voor de toeristen. De originele maskers hebben een glad gezicht en alleen de verticale strepen onder de mond.”

Ik lach hardop, ik kan niet anders.

 

 

 

Dan pakt polak voorzichtig het houten masker op. “Prachtig gesneden Afrikaans houtsnijwerk uit Gabon, Pumu stam.”

Hij kijkt mij aan voor hij verder spreekt.

“De waarde is 1 miljoen euro…” Polak kijkt naar zijn publiek, “als het een zeventiende eeuws dansmasker was. Maar dat zie je direct, er zitten maar twee gaatjes in de zijkant. Hoe moet een Afrikaanse danser daar door ademen?” Er wordt gelachen.

Het is geen teleurstelling, het is een prachtige anekdote.

Polak is nog niet klaar met zijn toelichting. “De maskers zijn waarschijnlijk door missionarissen mee naar Europa gebracht. Maar dat zegt het al: mis-sjonaarris. De waarde is enkele honderden euro’s.”

Geen kunst of kitsch bij Kunst en Kitsch

Origineel Afrikaans handwerk: ik vind het prachtig.

De Maaltijd: een klein theater

Het handgeschreven menu dat achter glas naast de voordeur hangt is voor mij een uitnodiging om naar binnen te gaan. Dat het acht uur ‘s avonds is en ik trek heb en op zoek ben naar een restaurant heeft ook zo zijn invloed. Het ligt in een zijstraat van een klein, authentiek dorp in de Languedoc-Roussillon. Vanaf de doorgaande weg staat aangegeven dat het de afslag naar de kerk is en een wijngaard. Hoe ik het toch gevonden heb? Het was mijn overtuiging dat er in het dorp toch minimaal een restaurant moest zijn.

Het is een huiskamer formaat restaurant waar je met twee keer vallen in de keuken belandt. Ik word vriendelijk ontvangen en krijg een tafeltje ingeklemd tussen een ouder Brits echtpaar met een zwaar accent, een tafel van vier en met uitzicht op een Frans gezelschap van vijf personen. Ik ben precies op tijd, de gasten die twee minuten na mij komen krijgen te horen dat het vol is.

Het is lang geleden dat ik Franse les in krijt op zwartbord kreeg.Vanavond begint mijn volgende les: Franse keuken. Met een beetje schutteren en mijn charmantste lach lukt het mij een voor- en hoofdgerecht te bestellen met een, ja een, glas rode wijn. Na de bestelling vraagt de gastvrouw of ik hier voor zaken ben? ‘Nee,’ antwoord ik in mijn beste Frans, ‘ik ben op vakantie.’

‘Alleen?’, is haar verbaasde antwoord. Haar intonatie en gezicht verduidelijken haar empathie.

Uit het boekje dat onopvallend prominent op mijn tafel ligt maak ik op dat het restaurant vermeld staat in een gids van beloften. Ik schrik niet, de prijzen heb ik al gezien. Het voorgerecht overtreft mijn verwachting, de wijn ook. De tafel van vier naast mij wordt bezet door een tweede Brits gezelschap. Deze groep kan ik zelfs verstaan. Naast mij krijgt de tafel van twee hun hoofdgerecht. Het is duidelijk dat ze ervan genieten: elleboog op tafel, vork in het vuist en prikken maar.

Het Franse gezelschap, contrastvol elegant gekleed in verhouding tot de niet ingezetene gasten, voert een geanimeerd gesprek. Door de korte afstand – hoeveel afstand kan je creëren met 16 zitplaatsen aan gescheiden twee- en vierpersoons tafels in een woonkamer van vier bij vijf meter? – en de ondersteunende mimiek kan ik op hoofdlijnen volgen waarover ze praten, zelfs door het te luide gekakel van de Britse tafel van vier! Ondertussen heb ik ook mijn hoofdgerecht, dat net zo proeft als het smaakvol is opgediend, opgegeten.

Wanneer ik een kwartier later na een café als afsluiter weer buiten sta heb ik € 28,50 afgerekend. Ik vind het een prima bedrag voor een geweldige maaltijd in een klein theater.

 

 

 

Onweerstaanbare Haagse aantrekkingskracht

Vanuit zijn stoel kijkt hij door een van de ramen van de torenkamer naar buiten. Het Haagse heeft al vroeg een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem gehad en nu zit hij in het centrum van de macht, zonder alles in zijn macht te hebben: de laagstaande zon dwingt hem met zijn ogen te knijpen; zijn functie dwingt hem compromissen te sluiten. Gewoontegetrouw doorloopt hij de tekst op zijn beeldscherm nog een keer voor hij op ‘verzenden’ klikt. Ook de inhoud van deze e-mail is een compromis. De onverzettelijke tijd geeft niet de ruimte om zijn gedachten scherper te verwoorden, om meer van zichzelf te laten spreken zonder eenkennig  te zijn. Hij is een bestuurder die moet verwoorden wat er door de verschillende partijen gezegd en afgesproken is. Zijn eigen stem mag de anderen niet zo overstemmen dat  zij zich er niet meer in terug horen. Het stuk wordt nog door het secretariaat doorgenomen voor het openbaar komt. Het is reservetijd voor een heldere ingeving. Tijd die zelden benut wordt. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van iemand die door de gang rent. De deur wordt opengegooid.

“Papa!”

Zij is zijn geheim. Haar onbevangen openheid herinnert hem steeds zonder vooroordeel te luisteren. Zij voedt zijn energie. Haar  ongeremde ontdekkingsdrift stimuleert hem veranderingen nieuwsgierig te benaderen.  Zij is zijn belangrijkste achterban. “Dag Lotte, lieve schat van me. Krijgt papa een knuffel van je?” De vraag is retorisch. Hij kan nog net zijn armen openen om Lotte op te vangen die zich op hem stort en haar armen om zijn nek slaat.

“We hebben een ijsje gegeten en ik heb met mamma nieuwe schoenen gekocht en morgen ga ik bij Milou spelen, oh een vogel!” Lotte rent naar het raam en klimt op de stoel om de meeuw die op de raamdorpel is geland te bewonderen.

Hij staat op en loopt naar Eline die achter Lotte aan de kamer binnengewandeld is. “Dag schat.” Hun kus is teder.

“Heb je de krant gezien? Je artikel staat er in, letter voor letter.” Opgewonden slaat Eline de krant open.

Hij neemt de krant over en leest hardop: “Laten we over onze schaduw heen springen, door Ruud Maanzaad, de nieuwe wethouder van Integratie en Cultuur.” Glunderend kijkt hij naar zijn vrouw. De aandrang om het hele artikel uit te spellen is sterk. De opwinding die hij in zijn jeugd voelde bij het lezen van een spannend verhaal komt weer terug als het plan om de verschillende culturen in de stad bij elkaar te brengen voor zijn ogen ontvouwt. Het is zijn tekst, zijn idee.

“Papa!”

Hij kijkt naar Lotte die van de stoel klimt en zich naar hun omdraait. De laagstaande zon werpt haar schaduw door de kamer. “Dat heeft papa toch goed gedaan, Lotte!”, zegt hij trots.

Met haar ogen naar de grond gericht springt ze vooruit. Dan kijkt ze achterom en vervolgens glunderend naar haar vader. “Dat kan toch niet papa, over je schaduw springen!”

Dit was mijn inzending voor de schrijfwedstrijd “Laten we over onze schaduw heen springen.” Niet genomineerd, jammer.

Over( )schrijven

Kriegelig verwerk ik de reacties van mijn editor. Het zijn niet de correcties op spelling en interpuncties die mij raken, het zijn de commentaren op de inhoud die als een regenbui op mijn humeur neervalt: “te bonkig”. “je verliest de lezer!”, “wat voelt hij hier?” Ze weet toch dat ik wil schrijven, niet overschrijven!

Woorden herschikt, alinea’s herschreven, zinnen die vloeien. In mijn hoofd breekt de zon door wanneer ik de tekst herlees en ervaar hoe het aan kracht gewonnen heeft. Uit een laatste wolk in mijn hoofd valt een koele druppel; ze heeft niet altijd gelijk. Er is altijd een “ik” die ook gelijk wil hebben.

De ontknoping van het boek vormt zich in mijn hoofd. Twee scenario’s vechten om het sterkste einde. Twijfel spreekt een woordje mee. De gestelde deadline vraagt om een besluit. Het sluitstuk moet raken om het verhaal te laten doorklinken: een einde dat wordt afgehamerd en nadreunt! Ben ik er klaar voor om het verhaal te laten eindigen?