Tag Archives: motor

Boeoeoe – Proloog (2)

Zou het pijn hebben gedaan, met die motor op de auto knallen?

–dus u draait van het erf de weg op en dan rijdt de motor tegen uw auto?’ De ander stem weer.

‘Die klap! Ik zag hem niet: de zon! Wat een klap.’

De andere man keek naar de motor die zich rechtopstaand in de auto geboord had. Het achterwiel van de motor hing bijna een meter boven de grond ter hoogte van de plek waar het rechtervoorwiel van de auto had gezeten. ‘Hij moet over de auto gevlogen zijn en in het weiland terecht gekomen, maar waar?’

Dat had hij wel gehoord.

‘Boeoeoe.’

Ook dat. Nu waren ze er nog, koeien, maar hoe lang nog? Gisterenavond was het groot in het journaal: de eerste hamburgers van gekweekt vlees waren op weg naar de supermarkt. Met de stamcellen van een koe konden ze tegen de honderdduizend biefstukken produceren en het smaakte zelfs beter, volgens de fabrikant dan. De koe loeide opnieuw. Als hij dat kon horen, dan moesten zij het loeien toch ook horen? Waarom zagen ze hem dan? Waarom leek het alsof de koe– Het kraken onderbrak zijn gedachte. Het loeien van koeien klonk luid in zijn oren.

Hij had gemerkt dat hij viel, dat zijn kaken op elkaar klapten toen het vallen ophield en had niets gevoeld…

‘112. Goedenavond. U belt voor spoedeisende hulp?’

‘Hij is op de koe gevallen. De motorrijder is uit de boom gevallen,’ zei de stem; verward verbaasd.

‘Op de koe… Is er sprake van persoonlijk letsel?’

 

Boeoeoe – proloog

Spoedeisende hulp

Fock! Hij ziet me niet,” echode het in zijn helm. Hij kneep al hard in de voorrem en trapte simultaan op de achterrem voor hij bedacht dat hij van zijn leven hield, dat hij er teveel plezier in had om nu te sterven. De 250 kilo zware motor dook voorover in zijn vering en de achterband schreef een sierlijk golvende lijn van zwart rubber op het asfalt. De auto groeide, greep steeds meer ruimte van zijn zicht, Hij had zelf te hard gereden, véél te hard. Op de automatische piloot schakelde hij terug om zonder hapering op te kunnen trekken. Optrekken? Het ging pijn doen. Hij zou niet dood gaan, dat stond hij niet toe.

‘Hij is verdwenen ik heb hem niet gezien hij is verdwenen ik heb hem niet gezien hij is–”

‘Meneer, even rustig.” Een andere stem.

Inderdaad. Haal diep adem, zwijg en luister: dan zouden ze hem horen! Waarom zagen ze hem niet? Waarom zag hij niets… Het zou pijn moeten doen, er was geen pijn. Dat moest de adrenaline zijn. “Toen ik het ziekenhuis kwam voelde ik de pijn pas.”, dat hoorde je de mensen toch zeggen? Het was een ongekende ervaring, hoewel? Als hij zelf met kiespijn naar de tandarts ging was de pijn weg zodra hij in de stoel zat, wist zelfs niet meer aan welke kant hij de minuut ervoor last had gehad. De laatste keer had hij het voor de zekerheid opgeschreven. Stress was een vreemd ding… Hij mocht niet in slaap vallen, dan zouden ze hem nooit vinden. “HIER. HALLO.” Hij hoorde het niet, zijn eigen stem niet.