Tag Archives: kort verhaal

Naschokken

De kansel trilt. Pastoor Wolf ziet het, ook de onrust die over zijn kerkgangers trekt. Met vaste stem schakelt hij over naar het slot van zijn preek: na de zegen zal hij ze naar buiten leiden. Grote kaarsen vallen om, het middenschip schudt, neerdalend stof; pastoor Wolf kijkt omhoog, naar waar het kraakt. Hij heft zijn handen en roept de Heer, roept om Zijn zegen.

 

Die blaatkop! Niets kunnen ze geheim houden. Stug trapt hij door.

‘Meneer Stam, verschijnt u met trillende knieën voor de commissie?’, roept de journalist terwijl deze voor de toegangspoort springt en de gepimpte microfoon als een degen naar voren steekt.

Roze spraakknots, symbool van cabareteske journalistiek; stand-up nieuwsgaring waardoor zelfs ervaren politici over hun woorden struikelen, niet hij: hij vreet komedianten. Met een zwier zwaait hij zijn rechter been over het zadel en ketent zijn fiets aan het hek: veilig. Dan draait hij zich om. ‘Meneer Harker, ik herinner mij weer wat ik de afgelopen vijf jaren niet gemist heb.’

‘Meneer Stam, u komt boete doen voor de aardbeving van Delfzijl?’

‘De commissie onderzoekt de oorzaak van het instorten van de Oude Kerk. Alle vragen van de commissie zal ik zonder terughoudendheid beantwoorden. Het is ook aan de commissie om conclusies over de schuldvraag te trekken.’

‘Honderdeenentwintig gewonden, dertig doden waaronder drie kinderen die nog een heel leven voor zich hadden: raakt u dat niet.’

‘Zeker, en mijn gedachten en medeleven gaan nog dagelijks uit naar de slachtoffers, naar hun familie en vrienden, naar iedereen die door dat onvoorspelbare leed getroffen is.’

‘Onvoorspelbaar… Heeft uw ministerie in het jaar vóór de verwoestende aardbeving geen onderzoek laten uitvoeren naar de aardschokken in Groningen?’

‘Dat is correct. Het onderzoek gaf aan –’

‘Dat er maar één oorzaak voor de aardschokken in het gebied was: de gaswinning.’

Die grijns… ‘Zoals u zich misschien herinnert, meneer Harker, was het mijn opvatting dat men elkaar laat uitspreken. Dat standpunt is in de afgelopen jaren niet veranderd.’

‘De conclusies van dat onderzoek ook niet meneer Stam: hoe groter de aardgaswinning hoe groter de kans op een zware aardbeving. Heeft u toen de verkeerde beslissing genomen?’

‘Er is een gedegen risicoanalyse uitgevoerd. De kans dat dezelfde persoon twee keer de hoofdprijs in de lotto zou winnen was groter,’ hij sluit zijn ogen, – de cijfers van de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse, onuitwisbaar gebeiteld in zijn brein: € 2.744.541 per dode, € 282.164 per ziekenhuis gewonde – even, ‘dan dat er een zware aardbeving zou komen. `Een besluit om te stoppen met de aardgaswinning rechtvaardigde het verlies van 11 miljard aan aardgasbaten niet. De aardbeving was een gemiddelde aardbeving: 4,8 op de schaal van Richter. Dat de beving optrad tijdens een bijzondere viering in een 16e eeuws kerkgebouw dat daarna gesloten zou worden voor restauratie kon niemand voorzien.’

‘Heeft u vermindering van de gaswinning overwogen, of gaf de crisis de doorslag?’

11 miljard: per jaar!  ‘‘Het had niets met de economische crisis…’ Stam kijkt op zijn horloge. ‘Excuus, de commissie wacht.’

Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

Ontmaskerd: Kunst of Kitsch?

Zonnebloemen

Volgens de navigatie zijn we er bijna als een verkeersbord ons informeert dat de weg geblokkeerd is en alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Ik ken mijn bestemming en rijd door tot de achterste vrije parkeerplaats. Kort daarop lopen mijn reisgenoot en ik het museum in. De feloranje rugzak die ik draag vloekt in kleur en stijl met mijn  donkerblauwe colbert. Ik geneer me er niet voor omdat ik de inhoud ken, ook van de rugzak. Daarbij draag ik een eettafel-voor-zes lang en breed schilderij in mijn handen. De prachtige zonnebloemen zijn onder grijze paardendeken verstopt. Het schilderij is van mijn reisgezelschap. Zij draagt ook twee onder doek verstopte schilderijen. De enig mogelijke elegante entree die wij nog kunnen maken is met een ontwapenend vriendelijke glimlach.

Oude Meester

Aan een tafel krijgen wij op vertoon van onze toegangskaarten twee nummertjes. Ze beloven een wachttijd van meer dan een uur. Het prachtige nazomerweer nodigt ons uit om op het terras te wachten. We vinden plek aan een tafel waar een ander stel zit. Nadat tijd en zon de lokale atmosfeer ontdooit heeft gaat het gesprek over schilderijen, natuurlijk gaat het over schilderijen: zij hebben er ook een bij zich.

“We hebben het al eens laten taxeren,” vertrouwt de man ons toe. “Volgens de galeriehouder was het een oude meester waar hij zo 5.000 gulden voor bood. Wij hebben geen haast om het te verkopen.”

“Zo, u durft wel, ” zeg ik en knik respectvol voor zijn gewaagde handelsgeest. Dan wordt de serie nummers omgeroepen waar wij onder vallen. Wij staan op, net als onze tafelgenoten die onder dezelfde groep vallen. We wensen elkaar succes.

Dat is een vervalsing

Beneden in de lange en brede gang zitten de experts elk aan een eigen tafel. Wij gaan eerst naar ‘Schilderijen’. Er is een voorselectie en we sluiten aan in de rij. Al snel komen we binnen gehoorafstand.

“Helaas, dat is een vervalsing mevrouw,” zegt de expert na een blik op het schilderij geworpen te hebben.

“Ohhh,’ zegt ze opgelaten. Met een stijgende blos op haar gezicht loopt ze samen met haar gezelschap snel weg.

“En nog een slechte ook,” laat de expert zich ontvallen.

Ze doet alsof ze het niet hoort.

De vrouw voor ons onthult een pentekening.

De expert bekijkt het snel van alle kanten. “Dat moet ik even opzoeken en hij pakt zijn tablet.”

De vrouw stapt ondertussen opzij en mijn reisgenoot legt de eerste van haar schilderijen op tafel.

Als een roofvogel duikt de expert er op. Het verschuiven van de bril naar het voorhoofd is een dubbele bevestiging dat deze havik niet alles meer scherp ziet. “U mag naar tafel twee,” is het resolute oordeel. Wij lopen door als onze eerdere tafelgenoten met hun meester naar de tafel lopen.

Op televisie

Hier krijgt de aanbieder van de vermeende kunst de aandacht van de expert die het werk verdient.

“Die etsen zijn kunstig nagemaakt,” verklaart deze expert gedecideerd na het werk te hebben bestudeerd.

Wij zijn aan de beurt en mijn reisgenote overhandigd de eerste twee schilderijen.

“Ik ken de schilder niet,” erkent hij direct. “Ik kan het opzoeken, maar zo te zien zijn de  schilderijen in de eerste helft van de 20ste eeuw in Duitsland gemaakt.” Nadat hij bevestiging van mijn reisgezelschap krijgt vervolgt de expert: “het zijn goede schilderijen en van dezelfde schilder maar niet uitzonderlijk.”

Het is het antwoord waar naar gezocht werd. Er wordt ruimte gemaakt en ik overhandig voorzichtig het derde schilderij.

“Dit is gedurfder geschilderd. Zij was duidelijk bekend met, waarschijnlijk geïnspireerd door Van Gogh. Een mooi origineel werk, maar ook niet uitzonderlijk genoeg voor onze opnames.”

Zichtbaar opgelucht neemt mijn reisgenote het schilderij weer aan. Op televisie? Echt niet!

Ontmaskert

Met de weer aangeklede schilderijen lopen we naar de expert voor niet-Westerse kunst, Jaap Polak, en sluiten aan in de rij. Op dat moment staat hij op vanachter zijn tafel.

“Komen jullie voor mij of staan jullie op de bus te wachten? Kom erbij, hier gebeurt het.”

Jan Polak houdt van zijn publiek en we gaan naar de tafel. Dit is het moment waarop ik mijn rugzak afdoe. Jan Polak wisselt tussen razendsnelle kwinkslagen: “Chinese winkel 6,95.‘ en een geduldige uitleg over de betekenis van de christelijke afbeelding op het houten paneel.

Ondertussen ben ik bij de hoek van de tafel aangekomen en haal de Afrikaanse maskers uit mijn rugzak en leg deze op de tafel. Ik zie dat Polak het ziet maar moet geduld hebben.

“Dat is Benin,’ zegt Polak wijzend naar mijn bronzen masker. “Gemaakt voor de toeristen. De originele maskers hebben een glad gezicht en alleen de verticale strepen onder de mond.”

Ik lach hardop, ik kan niet anders.

 

 

 

Dan pakt polak voorzichtig het houten masker op. “Prachtig gesneden Afrikaans houtsnijwerk uit Gabon, Pumu stam.”

Hij kijkt mij aan voor hij verder spreekt.

“De waarde is 1 miljoen euro…” Polak kijkt naar zijn publiek, “als het een zeventiende eeuws dansmasker was. Maar dat zie je direct, er zitten maar twee gaatjes in de zijkant. Hoe moet een Afrikaanse danser daar door ademen?” Er wordt gelachen.

Het is geen teleurstelling, het is een prachtige anekdote.

Polak is nog niet klaar met zijn toelichting. “De maskers zijn waarschijnlijk door missionarissen mee naar Europa gebracht. Maar dat zegt het al: mis-sjonaarris. De waarde is enkele honderden euro’s.”

Geen kunst of kitsch bij Kunst en Kitsch

Origineel Afrikaans handwerk: ik vind het prachtig.

Bibberbezoek

Vandaag was het weer zover en, zoals gewoonlijk, kwam ik op de minuut af op tijd op de afspraak. Niet dat ik op elke afspraak zo punctueel ben, maar wel als ik naar de tandarts ga…, of de fysio, of osteopaat. Nu besef ik het, al komt het inzicht rijkelijk laat: ik heb een dwangneurose om bij elke arts, paat of peut stipt op tijd te zijn. Mijn geluk is dat deze tic niet behandeld hoeft te worden. Het is ook een onzinnige tic: hoe vaak moet je juist in de wachtkamer wachten? Dat het de ruimte nuttig gebruikt wordt betekent niet dat de praktijk ook efficiënt gebruik wordt, integendeel zou ik zeggen. Ja, sorry: ik dwaal af.

Om die tijd in wachtkamers zo kort mogelijk te laten zijn is mijn remedie de eerste afspraak van de dag te plannen. Het werkt, meestal. Vandaag dus niet. Mijn tandarts was er wel, ik kon zijn onmiskenbaar krakende stem vanuit de gang horen, maar nog niet beschikbaar voor mij. Er bleef niets anders over dan geduldig te wachten. Daarbij is het effect van de eerste afspraak dat ik de enige in de wachtkamer was. Alleen met geen ander gezelschap dat het schilderij dat “geschonken” was door de voormalige tandarts die de praktijk had overgedaan aan het collectief dat er nu inzat. Elke keer als de kraalogen van de in het bruin uniform gestoken, gezette, blozende, zittende  man met zijn grote rode alcoholneus mij aankeken vroeg ik het me af: was het de ultieme grap van de tandarts die ooit deze praktijk bestierde? Welk verhaal zat er achter dit fascinerend onooglijk schilderij? Had hij zijn praktijk overgedragen zonder er geld voor te vragen mits zijn schilderij in de wachtkamer kwam te hangen? En wie was die man, een tandarts uit het leger? Het toonbeeld van iemand die de liefde voor zijn werk verwarde met zijn sadistische neigingen? Een arts waar je als patiënt de bibbers van krijgt?

De opengaande deur onderbreekt mijn gedachte. Het is mijn tandarts. Tien minuten later sta ik weer buiten: alles in orde.

De reisgenote

Stelvio in France

Het is net na halfnegen in de ochtend als ik uit het authentieke Franse hotel loop dat ter hoogte van Clermont-Ferrand in het prachtige Auvergne ligt. Zei ik ‘authentiek’? In de tijd bevroren is een betere omschrijving. Ik weet niet goed waarom ik er de vorige avond introk. Oké het was al 20.00 uur geweest en de dichtstbijzijnde stad was nog minimaal drie kwartier rijden over slingerende landwegen. En ja, ze had die combinatie van de innemende glimlach met die mysterieus donkere ogen waardoor een kamer met een tweepersoonsbed een meervoudige belofte inhoud. Ik accepteerde de kamer terwijl ik me afvroeg of er een Franse versie van Hotel California bestond: ik zou niet uit-checken! Het bleek een valse belofte: het was haar laatste handeling van die avond en ik werd overgelaten aan de gastvrijheid van het Nederlandse stel dat het hotel recent had overgenomen. Vriendelijk en doorleefd, zo zou ik ze omschrijven, net als het van rook doortrokken interieur dat uit verschillende brocante winkels bijeen geroofd leek. De folder? Die heb ik beleefd afgeslagen: het is ook zo een eind weg van Utrecht…Ik geloof dat ik afgedwaald ben.

Mijn Moto Guzzi Stelvio stond al bepakt klaar om het laatste deel van de terugreis af te leggen: 700 kilometer over kronkelende d-wegen over Luxemburg om bij Luik de snelweg op te duiken voor een laatste drempelvrij stuk. De navigatie aangesloten, tanktas vastgezet en…,  daar zat ze. Zonder iets te vragen had ze zich een plek verworven op mijn motor. Ongegeneerd was ze gaan zitten in afwachting van wat er komen zou. Even overwoog ik haar weg te sturen. Toen bedacht ik dat zij het waarschijnlijk ook niet langer bij het hotel uithield. Ik zette mijn helm op, trok mijn handschoenen aan en vertrok.   

Het was droog, droog maar fris, natte neus en koude over je ruggengraat fris. De zon deed zijn best door de sluierbewolking heen te branden maar slaagde daar amper in. De kronkelende rode asfaltweg lag als een uitdagend spoor door het hooggelegen heuvelachtige landschap. De Stelvio vond de route feilloos en vrat de weg onder de banden op. Door de stijgende temperatuur werd het met 9 0C bijna aangenaam, bijna! Zonder te kijken voelde ik dat zij er nog zat, veilig verscholen achter het grote scherm. De eerste 100 kilometer zat erop en het oplichtende waarschuwingslampje gaf aan dat een tankstop verstandig was. Ik stopte bij de eerste gelegenheid en zag dat de tegenoverliggende bar op deze zondagochtend open was. Dat zij niet op mijn uitnodiging inging weerhield mij er niet van om er een café te drinken. Toen ik terugkwam zat ze er nog. Ik haalde mijn schouders op en al snel waren we weer onderweg. Ik begon mij af te vragen waar zij heen wilde? Zou ze meerijden tot mijn huis? Ik had ondertussen door dat zij mijn taal niet sprak, al leek ze me wel te begrijpen. Of zou ze onderweg afscheid nemen? Onverwacht, net zo onaangekondigd als ze op de Guzzi was gaan zitten? Ik zou het vanzelf merken.

De weg veranderde: zwart asfalt, bredere wegen, meer verkeer. Ik wist dat het nog 30 km zou duren voor ik weer de landelijke wegen zou treffen. Eerst nog de drukte van een middelgrote stad door: zij trok zich er niets van aan. Het landschap ontvouwde zich weer in de pracht van het gedorste glooiende graanakkers en groene weilanden. De teller gaf aan dat er weer 150 kilometer door de Stelvio verslonden waren. Een volgend dorp vroeg om een aangepaste snelheid. Ik merkte dat mijn passagier onrustig werd. Was het een teken dat wij snel afscheid zouden nemen? Het doorgehaalde naambord gaf aan dat ik de dorpsgrens weer overschreed en ik liet de Stelvio accelereren. Tot mijn verbazing sprong zij toen van de motor, de grote groene sabelsprinkhaan. Ik zie haar lange voelsprieten nog in de wind trillen. De laatste 700 kilometer heb ik zonder reisgenoot afgelegd.

Onweerstaanbare Haagse aantrekkingskracht

Vanuit zijn stoel kijkt hij door een van de ramen van de torenkamer naar buiten. Het Haagse heeft al vroeg een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem gehad en nu zit hij in het centrum van de macht, zonder alles in zijn macht te hebben: de laagstaande zon dwingt hem met zijn ogen te knijpen; zijn functie dwingt hem compromissen te sluiten. Gewoontegetrouw doorloopt hij de tekst op zijn beeldscherm nog een keer voor hij op ‘verzenden’ klikt. Ook de inhoud van deze e-mail is een compromis. De onverzettelijke tijd geeft niet de ruimte om zijn gedachten scherper te verwoorden, om meer van zichzelf te laten spreken zonder eenkennig  te zijn. Hij is een bestuurder die moet verwoorden wat er door de verschillende partijen gezegd en afgesproken is. Zijn eigen stem mag de anderen niet zo overstemmen dat  zij zich er niet meer in terug horen. Het stuk wordt nog door het secretariaat doorgenomen voor het openbaar komt. Het is reservetijd voor een heldere ingeving. Tijd die zelden benut wordt. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van iemand die door de gang rent. De deur wordt opengegooid.

“Papa!”

Zij is zijn geheim. Haar onbevangen openheid herinnert hem steeds zonder vooroordeel te luisteren. Zij voedt zijn energie. Haar  ongeremde ontdekkingsdrift stimuleert hem veranderingen nieuwsgierig te benaderen.  Zij is zijn belangrijkste achterban. “Dag Lotte, lieve schat van me. Krijgt papa een knuffel van je?” De vraag is retorisch. Hij kan nog net zijn armen openen om Lotte op te vangen die zich op hem stort en haar armen om zijn nek slaat.

“We hebben een ijsje gegeten en ik heb met mamma nieuwe schoenen gekocht en morgen ga ik bij Milou spelen, oh een vogel!” Lotte rent naar het raam en klimt op de stoel om de meeuw die op de raamdorpel is geland te bewonderen.

Hij staat op en loopt naar Eline die achter Lotte aan de kamer binnengewandeld is. “Dag schat.” Hun kus is teder.

“Heb je de krant gezien? Je artikel staat er in, letter voor letter.” Opgewonden slaat Eline de krant open.

Hij neemt de krant over en leest hardop: “Laten we over onze schaduw heen springen, door Ruud Maanzaad, de nieuwe wethouder van Integratie en Cultuur.” Glunderend kijkt hij naar zijn vrouw. De aandrang om het hele artikel uit te spellen is sterk. De opwinding die hij in zijn jeugd voelde bij het lezen van een spannend verhaal komt weer terug als het plan om de verschillende culturen in de stad bij elkaar te brengen voor zijn ogen ontvouwt. Het is zijn tekst, zijn idee.

“Papa!”

Hij kijkt naar Lotte die van de stoel klimt en zich naar hun omdraait. De laagstaande zon werpt haar schaduw door de kamer. “Dat heeft papa toch goed gedaan, Lotte!”, zegt hij trots.

Met haar ogen naar de grond gericht springt ze vooruit. Dan kijkt ze achterom en vervolgens glunderend naar haar vader. “Dat kan toch niet papa, over je schaduw springen!”

Dit was mijn inzending voor de schrijfwedstrijd “Laten we over onze schaduw heen springen.” Niet genomineerd, jammer.