Onweerstaanbare Haagse aantrekkingskracht

Vanuit zijn stoel kijkt hij door een van de ramen van de torenkamer naar buiten. Het Haagse heeft al vroeg een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem gehad en nu zit hij in het centrum van de macht, zonder alles in zijn macht te hebben: de laagstaande zon dwingt hem met zijn ogen te knijpen; zijn functie dwingt hem compromissen te sluiten. Gewoontegetrouw doorloopt hij de tekst op zijn beeldscherm nog een keer voor hij op ‘verzenden’ klikt. Ook de inhoud van deze e-mail is een compromis. De onverzettelijke tijd geeft niet de ruimte om zijn gedachten scherper te verwoorden, om meer van zichzelf te laten spreken zonder eenkennig  te zijn. Hij is een bestuurder die moet verwoorden wat er door de verschillende partijen gezegd en afgesproken is. Zijn eigen stem mag de anderen niet zo overstemmen dat  zij zich er niet meer in terug horen. Het stuk wordt nog door het secretariaat doorgenomen voor het openbaar komt. Het is reservetijd voor een heldere ingeving. Tijd die zelden benut wordt. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van iemand die door de gang rent. De deur wordt opengegooid.

“Papa!”

Zij is zijn geheim. Haar onbevangen openheid herinnert hem steeds zonder vooroordeel te luisteren. Zij voedt zijn energie. Haar  ongeremde ontdekkingsdrift stimuleert hem veranderingen nieuwsgierig te benaderen.  Zij is zijn belangrijkste achterban. “Dag Lotte, lieve schat van me. Krijgt papa een knuffel van je?” De vraag is retorisch. Hij kan nog net zijn armen openen om Lotte op te vangen die zich op hem stort en haar armen om zijn nek slaat.

“We hebben een ijsje gegeten en ik heb met mamma nieuwe schoenen gekocht en morgen ga ik bij Milou spelen, oh een vogel!” Lotte rent naar het raam en klimt op de stoel om de meeuw die op de raamdorpel is geland te bewonderen.

Hij staat op en loopt naar Eline die achter Lotte aan de kamer binnengewandeld is. “Dag schat.” Hun kus is teder.

“Heb je de krant gezien? Je artikel staat er in, letter voor letter.” Opgewonden slaat Eline de krant open.

Hij neemt de krant over en leest hardop: “Laten we over onze schaduw heen springen, door Ruud Maanzaad, de nieuwe wethouder van Integratie en Cultuur.” Glunderend kijkt hij naar zijn vrouw. De aandrang om het hele artikel uit te spellen is sterk. De opwinding die hij in zijn jeugd voelde bij het lezen van een spannend verhaal komt weer terug als het plan om de verschillende culturen in de stad bij elkaar te brengen voor zijn ogen ontvouwt. Het is zijn tekst, zijn idee.

“Papa!”

Hij kijkt naar Lotte die van de stoel klimt en zich naar hun omdraait. De laagstaande zon werpt haar schaduw door de kamer. “Dat heeft papa toch goed gedaan, Lotte!”, zegt hij trots.

Met haar ogen naar de grond gericht springt ze vooruit. Dan kijkt ze achterom en vervolgens glunderend naar haar vader. “Dat kan toch niet papa, over je schaduw springen!”

Dit was mijn inzending voor de schrijfwedstrijd “Laten we over onze schaduw heen springen.” Niet genomineerd, jammer.

Over Talent gesproken!

#blogpraat

Op de Twitter #blogpraat ontstond deze maandagavond een pad naar “Talent” via “echt goed schrijven.” Wat is talent? Is het een ongrijpbaar fenomeen waarmee je geboren wordt? Alsof iemand tegen mij zou zeggen: ‘Daar ben je dan, in de bloei van je leven met een uitstekend inlevingsvermogen, aangeboren taalgevoel en bruisend van ideeën . Het enige wat tussen jou en een gelauwerde carrière als schrijver staat is de tijd om een boek te schrijven! Je hebt een aangeboren Talent: gebruik het!’

Dat is hetzelfde als tegen iemand met een atletisch lichaam vertellen dat alleen de wedstrijd zelf tussen hem of haar en een overwinning in de atletiek staat. Alsof elke sporter die een medaille op de olympische spelen heeft gewonnen geluk heeft gehad  dat de persoon met het echte talent niet meedeed.

Talent is een optelsom

Ik geloof er niet in. Natuurlijk, er zijn elementaire voorwaarden, capaciteiten is een beter woord,  die iemand moet bezitten om de handelingen die aan het talent worden toegewezen uit te kunnen voeren. Die capaciteiten zorgen ervoor dat je het werk kan leveren om je iets eigen te maken, je dan te verbeteren om er uiteindelijk goed in te worden. Talent is een optelsom: capaciteit + werk.

‘Passion and hard work beats out natural talent’

Iemand die het fenomeen “Talent” op een aansprekende manier heeft verwoord is Pete Doctor, de prijs winnende animator die bij Pixar gewerkt heeft aan Toy Story 1 en 2, Monsters enz. In zijn brief over talent schrijft hij: “whatever you like doing, do it! And keep doing it. Work hard! In the end, passion and hard work beats out natural talent. (And anyway, if you love what you do, it’s not really “work” anyway.)” http://www.lettersofnote.com/2012/07/whatever-you-like-doing-do-it.html

Of ik talent heb? Ik werk er aan..

Vergiftigt CVZ het Nederlands zorgstelsel?

Je kan van alles vinden van het conceptadvies van het College van Zorgverzekeringen (CVZ) om dure medicijnen voor enkele zeldzame ziekten niet meer te vergoeden[1], maar niet dat ze bang zijn voor het maatschappelijk debat. Voor de patiënten die het betreft, en hun directe omgeving, moet het een  schok zijn. Het gaat om hun leven en de kwaliteit van hun leven met een ernstige ziekte. Ik ben niet ziek, ik ken niemand met een zeldzame ziekte, het treft mij niet. Schouderophalen en verdergaan dus… niet. Vanaf het eerste moment dat ik op het NOS nieuws hoorde vroeg ik mij af welke gedachte erachter zit? Kan Nederland de kosten niet langer dragen, of wordt het CVZ sinds kort bestuurt door cijferfetisjen (het moeilijke woord voor cijferne..)?

Om met het laatste te beginnen: ik denk het niet. De goede lezer haalt hier al enige twijfel uit. Twijfel die wordt veroorzaakt door de achtergrond van de leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Advies[2]. Hoe groot is de invloed van de voormalig bankbestuurder, de wiskundige en de voorzitter van de RvB die “als bestuurslid van de stichting aeDex de belangen van woningcorporaties bij vastgoedindexeringen behartigt”? Natuurlijk, alle mensen in beide bestuursorganen hebben een aansprekende maatschappelijke, politieke en/of bedrijfsmatige achtergrond en opleiding. Maar als zij ons gezond verstand ter discussie stellen, mag ik dan vragen naar hun motivatie en onderbouwing?

Om terug te komen op het eerste punt, de centenkwestie, zoals het CVZ aangeeft gaat het om 85% van 44 miljoen voor de ziekte van Pompe en 11 miljoen voor het medicijn tegen de ziekte van Fabry[3], totaal 48,4 miljoen Euro. De totale begroting 2012 voor de zorguitgaven, het Budgettair Kader Zorg uit zorgpremies en Rijksbegroting, bedraagt 67 miljard en een beetje[4]. Het ‘beetje’ is ruim 187 miljoen. Uit dat ‘beetje’ kunnen ze de kosten voor de behandeling van de ziekten van Pompe en Fabry al 4 keer betalen.

Natuurlijk, een besparing van 48,4 miljoen per jaar bij stijgende zorgkosten is heel veel geld, en, om het in perspectief te plaatsen, het is minder dan 1 promille van de begroting voor de zorgkosten 2012. De gedachte erachter, datgene waar de maatschappelijke discussie over gevoerd moet worden, is welke zorg gaan we als Nederlandse maatschappij aan onszelf in de toekomst bieden?

In een reactie op televisie werd de vraag gesteld of het niet logischer zou zijn om mensen die bewust ongezond leven, zoals een zware roker die op hoge leeftijd longkanker krijgt, geen dure behandeling meer te geven. Wat is dat:  hoge leeftijd? Als je met pensioen bent/ De pensioenleeftijd is op zichzelf al een niet eenduidig begrip. En komt na de zware roker de zware drinker? In beide gevallen kan het CVZ wel flinke stappen maken in het drukken van de kosten: er zijn 800.000 zware rokers en 1,3 miljoen zware drinkers volgens Jellinek. Dan kan het CVZ toch heel wat mensen van behandeling uitsluiten, al kan het CVZ zich niet rijk rekenen door de aantallen op te tellen.

Uiteindelijk denk ik dat de het CVZ het zorgstelsel niet wil vergiftigen maar wel dat het onderwerp prioriteit op de politieke agenda krijgt. Een bijwerking van haar actie is dat zij een stijging van de verkoop van medicijnen tegen zware hoofdpijn veroorzaakt, vooral in Den Haag en omstreken. Dit voorlopig advies past namelijk prima bij de dossiers over woningmarkthervorming, arbeidsmarkthervorming, hypotheekrenteaftrek, onderwijsvernieuwing, …

Hadden ze maar een medicijn tegen politieke besluiteloosheid, zelfs als dat medicijn een miljoen per jaar per patiënt kost: het zijn tenslotte maar 225 ‘patiënten’.

Hamer: “begin opnieuw”! (2)

De conclusie van de redacteur na het lezen van het manuscript van Hamer is onverbiddelijk: “begin opnieuw”. In de vorige blog heb ik al verteld dat het mij raakte. Doordat ik ook verhaalt heb wat de redacteur inhoudelijk schreef, reken ik erop dat je begrijpt dat ik het niet met een schouderophalen afdoe. Wat ik niet verteld heb is dat ik een deel van zijn onderbouwing wegliet. Waarom? Dat doet er niet toe nu het hieronder alsnog te lezen is. Daarnaast, en misschien wel het belangrijkste, vertel ik wat ik met zijn reactie ga doen: opgeven, herschrijven of opnieuw beginnen?

Stijl

Over de stijl is het niet louter kommer en kwel: “verder valt er op de stijl niet veel aan te merken, behalve dat de taal te flets is om voor leesgenoegen te zorgen.” Nu ben ik benieuwd wat er gebeurd als er wel veel aan te merken is, maar om bij het onderwerp te blijven, de opmerking is dat de twee hoofdpersonen geen of nauwelijks herkenbare persoonlijkheid hebben. Als onderbouwing wordt aangegeven dat “het temperament, de stemming en de intenties van dat personage moet in de taal terechtkomen, zodat de taal gekleurd wordt door ironie, sarcasme, ontroering, chagrijn enzovoort.” Voor de dader onderschrijf ik die conclusie, voor de hoofdrolspeler niet. Natuurlijk, er zijn dialogen waar de tegenstelling scherper kan en het karakter of de stemming van de hoofdpersoon sterker neergezet kan worden.

De personages

De hoofdlijn is al benoemd ”persoonlijkheid”. Dat wordt ook voor twee van de belangrijkere bijrollen, de echtgenote en de vriend, genoemd. Hier om de omslag in karakter tussen het begin en het einde van het verhaal. Voor de vriend in het verhaal zie ik dat ik te grote stappen heb genomen, niet overdreven, ongeveer vier mijl… Voor de echtgenote niet, in mijn beleving, misschien, moet ik naar kijken. Het risico dat wordt aangegeven is dat een goede interactie tussen hen en de hoofdpersoon daardoor niet mogelijk is. Die interactie heeft ook invloed op de dialogen en, zo wordt benadrukt, “dat om een boeiend verbaal duel te creëren , wat elke goede dialoog moet zijn, de personages altijd tegenover elkaar gezet moeten worden, ook als de ‘goeden’ tegen over elkaar zitten.”

Plot en inhoud

Hier wordt de redacteur “streng”.  De door mij gekozen verrassende ontknoping “‘eindigt’ te open voor een thriller.” De conclusie wordt gevolgd door het advies dat het een verrassing is die in de regel niet gewaardeerd wordt door redacteuren. Mijn snelle weerwoord: “maar wel door de lezers?”, wordt ingehaald door het besef dat mijn ego ook de vingers over het toetsenbord kan laten bewegen.

Het advies waar ik mee begonnen ben: “begin opnieuw” wordt in enkele helder geformuleerde zinnen toegelicht. “Geef de hoofdpersoon een echte tegenstander, niet een spook waarmee hij niets te maken heeft. Zorg dat er meer tussen de personages gebeurt. Hoe meer intense interactie er is, des te minder komt het verhaal als een mechaniekje over. Zet uw grote kennis van het onderwerp, zowel technisch als financieel-zakelijk, in om de thriller niet alleen van spanning te voorzien maar ook van ‘inhoud’.” Een ding is duidelijk aan het eind van dit tweedelig blog: alles tussen de eerste zin en deze laatste alinea mag u snel weer vergeten. Ik ben namelijk de auteur die met het tussenstuk aan het werk wordt gezet.

De beoordeling van het manuscript van Hamer is gedaan door Hans ter Mors van Bureau Script Noordwijk.

Lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes

Toekomst van het lezen? Volg de generatie (2)

De nog naamloze generatie, de mensen die vanaf 2000 zijn geboren, heeft zijn collectieve bewustzijn, en daarmee de reactie op de tijdsgeest waarin deze tot stand komt, nog niet gevormd. Het is de generatie die opgroeit in opeenvolgende economische crisissen, revoluties gedragen door de onstuitbare communicatiemogelijkheden van social media, beschamende onderwijsinstituten, swipen en (straks) met een tablet vol studieboeken naar school fietst. Daarin zie ik geen hoopvol aanknopingspunt voor de uitgevers van de gedrukte media. Of het ‘Actieplan Kunst van het Lezen 2012 – 2015’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een leesrevolutie te weeg brengt… Het zal in ieder geval de taalvaardigheid van de jeugd verbeteren.

Een manier om het leesgedrag te bevorderen is de aankomende generaties duidelijk te maken dat lezen een avontuur is. Die lezen laat concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding zoals sporten, on- en offline gamen en interactieve televisie. Hierbij gaat het om de verwachting van de beleving en het kunnen delen van die beleving met anderen. Het natuurlijk gedrag van kinderen als ze ouder worden is dat ze hun grenzen willen verkennen, nieuwe vrijheden veroveren en al zoekende naar voeding voor de hormonaal gestuurde sensatiehonger de wereld van internet en televisie omarmen. Een digitale wereld waar ze onverbloemd seks en oorlog – fantasieloos plastisch of gruwelijk realistisch – voor hun voeten geworpen krijgen. Het ´mooie´ is dat de bevrediging van de primaire puberale noden ´gratis´ is. Er hoeft niet voor betaald te worden én het vraagt geen andere inspanning dan naar een scherm te staren. Een boek heeft die voordelen niet, ongeacht of ervoor betaald wordt; lezen is een inspanning: om de beloning te krijgen moet je ervoor werken. Hiermee kom ik niet in conflict met het idee dat je lezen moet laten concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding,­ sporten en gamen vereisen tenslotte ook een inspanning, maar vraag ik me wel af of het leesgedrag van deze leeftijdsgroep werkelijk te beïnvloeden is? Natuurlijk, ook zij worden beïnvloed: door hypes en helden, door apps en X-factor,  altijd bereik en altijd zichtbaar. Ze zijn gelinkt met al hun muziek- en sporthelden, maar hoeveel hebben een link met een schrijver?

Is het daarmee een verloren zaak? Of wordt alleen de verkeerde leeftijdsgroep benaderd ? Lezen hoeft niet te concurreren met social media en online gaming; lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes, met poppenwagen en lego. Aanwijzingen dat juist bij jonge kinderen de toekomst van het lezen wordt bepaald is te lezen in “Over ouders en leesopvoeding”[1].van Natascha Notten en in Sociale (lees)activiteiten zijn belangrijk voor de taalontwikkeling van zeer jonge kinderen[2] van Merel van Goch. De nationale voorleesdagen, waar ook BNN-ers zich graag van hun erudiete zijde laten zien, dragen dus werkelijk bij aan de leesvaardigheid, en daarmee de toekomst van de uitgevers. En, vraag ik me dan af, wat doen de uitgevers om hun toekomst te garanderen? Zijn er alleen initiatieven van kinderboekenschrijvers die zelf de mogelijkheid van voorlezen op scholen en bibliotheken aanbieden en organiseren? Uitgevers vallen onder de creatieve industrie, maar waar zijn hun vernieuwende ingevingen? Als promotie voor een film of via een spaaractie bij een grootgrutter kan, waarom kan dat niet voor kinderboeken? Als een door NV Nederland gecontroleerde loterij kaarten voor musicals kan weggeven, waarom dan geen (kinder)boek of –boekenbon?

Maar dat de komende generaties voornamelijk digitaal zullen lezen is voor mijn geen vraag meer onderdeel van de natuurlijke evolutie van de aankomende swipegeneraties.

Beoordeling Hamer: “begin opnieuw”!

Als je als schrijver je manuscript aan een redacteur voorlegt voor een beoordeling is “begin opnieuw” niet de conclusie die je wilt lezen. Het is wel wat ik afgelopen weekend las. Dat is…, ja wat is het? Wat doet het met mij? Het doet pijn. Niet zoals een gaatje bij de tandarts dat ook na het boren zeurt. Het is als de afwijzing door een geliefde. Een recente liefde die van het verkennende stadium naar consumptie is overgegaan, een liefde waarvan je gelooft dat je bij de ander past, dat er een toekomst voor samen is en dan wordt je uit die warme beloftevolle omhelzing weggeduwd! Dat zij het toch heel anders ziet en het samen leuk was, voor even. Dan wordt ik even stil… Maar niet te lang: het is slechts een verhaal niet mijn leven. Opnieuw de beoordeling lezen: wat staat er nu echt? Waarom zal het “geen toegang krijgen tot de boekenmarkt”? Au, moet ik toch naar de tandarts?

Constructie

“Het verhaal is te veel ‘constructie’, in die zin dat de lezer te goed kan zien hoe de auteur aan het timmeren is…” en “… de lezer zal zich daardoor onvoldoende betrokken voelen bij de lotgevallen van de twee hoofdpersonen.” Daar wordt een van de kernelementen van het onderscheid tot een verhaal en een goed boek geraakt: de lezer erin betrekken. De redacteur reikt de oplossing vervolgens aan: “Dat is allereerst een technische kwestie: in de scènes wordt niet bewust genoeg voor één vertelperspectief gekozen. Met een paar eenvoudige ingrepen is dit te verhelpen en dan krijgen we absoluut een beter script.” De verteltechnische fouten, of zoals de redacteur het aanduidt als ‘het dwarrelen’ van perspectief tussen de verschillende personen in een scène waardoor sommige passages verwarrend zijn.  Verwarrend? Waar heb ik dat eerder gehoord. Oké, niet meer fladderen, gewoon stevig op de stok blijven zitten. Dat ik er daarmee nog niet ben is al duidelijk geworden doordat ik de conclusie van de redacteur “begin opnieuw” al in het begin heb verklapt.

De opzet en de rol van de verteller

“Het meest opvallende van de opzet is natuurlijk dat naast de hoofdpersoon ook de dader gevolgd wordt, een aanpak die uitzonderlijk is in een thriller.” De redacteur noemt het evidente voordeel dat
doordat de lezers weten wat de dader van plan is de auteur veel spanning creëert, en laat niet na het nadeel te benoemen dat juist hierdoor het constructie-achtige van het verhaal zo nadrukkelijk aanwezig blijft. De vraag is natuurlijk hoe zorg ik ervoor dat het minder constructie wordt? Indirect geeft de redacteur een aanwijzing, namelijk zorg dat de hoofdpersoon meer karakter krijgt en waarschuwt direct dat schrijvers in de praktijk “het perspectief niet bij een krankzinnige seriemoordenaar leggen omdat dat niet geloofwaardig in te vullen is.” Het dilemma waar ik mee worstel is om het perspectief van de dader volledig te schrappen tegenover het kiezen van niet gebaande paden.

Dat ik wel vaker de gangbare oplossing negeer en kies voor een ander aanpak blijkt uit de reactie op mijn keuze voor de rol van de hoofdpersoon, waarbij ik de ik-persoon in de tegenwoordige tijd laat vertellen. Zoals ik nu begrijp is het een mogelijkheid, maar alleen door de ‘ik’ consequent te laten reageren op het hier-en-nu. Die consequentie ontbreekt door wisseling van tegenwoordige met verleden tijd en reflecties, erger nog: ik ga de mist in door een dialoog samen te vatten. Het is duidelijk dat ik hier struikel over een taalhindernis en plat op m’n bek val. Eh nee: ik ben gestruikeld en plat op mijn bek gevallen.

Hoe nu verder? Daar kom ik op terug!

De beoordeling van het manuscript van Hamer is gedaan door Hans ter Mors van Bureau Script Noordwijk.

Toekomst van het lezen? Volg de generatie.

Al sinds 1975 besteedt elke opvolgende generatie minder tijd aan lezen dan de voorgaande generatie. Is dat nieuws? Nee. De cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2010) en diverse onderzoeken[1] die in opdracht van Stichting Lezen zijn uitgevoerd bevestigen die trend. Ondanks die voortdurende daling zijn uitgevers er tot 2009 in geslaagd het aantal verkochte boeken en de omzet te laten stijgen[2]. Als oorzaak voor de kentering van het aantal verkochte boeken werd de crisis van 2008 als belangrijke reden opgevoerd. Het is nu 2012 en de omzet en het aantal verkochte boeken daalt nog altijd. De nieuwe – of voortdurende? –  crisis aanwijzen als schuldige verandert niets aan de onderliggende trend: er wordt minder tijd aan lezen besteed. Is daarmee ook de toekomst van het lezen voorspelbaar? En zo ja, is het verloop (nog) te beïnvloeden?

Er zijn vijf ‘actief’ lezende generaties: stille generatie, babyboomers, generaties X en Y en Einstein. De generatie die nu zijn overgang van studie naar werk en gezin maakt, generatie Einstein, is sociaal bewegelijk, betrokken en uitdaging zoekend. Van deze generatie wordt door ondernemingen in de praktijk de voorspellende waarde getoetst van de voorgaande visies over hoe deze consument te vermaken en aan je product te binden. Die trendvoorspellingen werden gedaan door de  babyboomende ‘goeroes’. Net als hun voorspellingen zijn ze achterhaald door ‘trendwatchers’ die het socializen commercieel hebben doorgrond door op twitter en facebook naamsbekendheid op te bouwen. Het zijn dezelfde trendwatchers die nu met lezingen, interviews, boeken – de ‘oude media’ – en bedrijfsadviezen hun inkomen verdienen.  Dat de trendwatchers aangeven dat het lezen van e-boeken zal toenemen ten kosten van het papieren boek is geen verrassing: het wordt zelfs door de traditionele uitgevers onderschreven. Opvallend is het gedrag waardoor ze zich laten onderscheiden: de een predikt en de ander prevelt.

Goed, we hebben dus wijze mensen die de trends in vrijetijdsbesteding en consumptie van de archetypen kunnen analyseren en daarmee de huidige tendens kunnen verklaren. Maar wat verandert er daardoor? Kan de verschuiving van gedrukte media naar de digitale wereld nog veranderd worden? Worden manuscripten nog met een kroontjespen geschreven? Nee, maar daarmee is de pen niet uit ons leven verdwenen, en zal het gedrukte boek ook niet zomaar verdwijnen.



[1] Stichting Lezen. http://www.lezen.nl/index.html?spsearch=&age_group_id=0&menu_item_id=105

[2] Kerncijfers Koninklijke Vereniging van het Boekenvak: http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers

“Hamer!” Is het DE titel?

Ik hanteer voor mijn boek al langere tijd “Hamer!” als titel. Het is een naam die terugslaat op de inhoud en waar ik vrij eenvoudig woordspelingen mee kan maken. Woordgrappen met “hamer” vind ik weer lastig, ze raken de kern niet of missen de plank. Het is wel een titel waar ik lange tijd heel tevreden mee ben. Maar ja, nadat ik gelezen had dat een titel een potentiële lezer nieuwsgierig moet maken, begon ik te twijfelen: loopt de potentiële lezer er ook mee weg?

Wie bereik ik met ‘Hamer’ als titel? Trek ik vooral de aandacht van de doe-het-zelfers? De kans dat een amateur-vakman het boek ook koopt acht ik daarbij niet erg groot. Sterker nog, het is waarschijnlijker dat deze het boek in verwarring teruglegt. Gewoon omdat een techneut de logische verbinding tussen de bijzondere bloemen die van de cover afspatten – tulpen, rozen of lelies (ik ben nog in tribio) – met het handgereedschap niet kan maken.

Het onvermijdelijke gevolg – van twijfelen – is dat ik een nieuwe titel heb bedacht: “Het verlies dat het meeste pijn doet.” Daarbij verbind ik de woorden ‘verlies’ en ‘pijn’ met een cover waar een bos bloemen op de grond liggen alsof ze door iemand in teleurstelling of woede zijn neergegooid. Elke bloem moet door de compositie van de bloembladen een symbool van verbinding uitstralen. Een afbeelding die roept om aandacht. Maar ja, lok ik daarmee niet alleen nieuwsgierige biologen? Verwelkt de afbeelding niet elk initieel enthousiasme bij de vrijetijdsbloemenkweker? Is het wel verstandig dat die titel op zichzelf staat, of is het eerder op zijn plaats als ondertitel van “Hamer!”? En schrik ik daarmee alsnog die doe-het-zelfer af die ook graag een spannend boek leest zolang het maar niet te romantisch wordt? Of ben ik nu aan het wa(o)uwelen?

Goed genoeg, is dat ook goed genoeg?

Hoe vaak moet je een zelf geschreven verhaal herlezen om de onvolkomenheden eruit te halen? Wanneer is het dan goed? Nou, het is nooit goed genoeg. Of toch wel? In ieder geval vind ik elke keer dat ik het lees weer nieuwe dingen die ik kan verbeteren. De twijfel is er: is het goed genoeg?

Waarom niet? Een zes is toch ook voldoende?

We zijn ermee opgegroeid, onze ‘zesjes cultuur’. Ook ik heb verschillende opleidingen op die manier met een diploma afgerond, maar verdien ik daarom lof? Iedereen die een boek leent of koopt doet dat om er plezier aan te beleven of om er iets van te leren, misschien wel allebei. En dan valt het tegen: het boeit niet, is ongeloofwaardig, langdradig of vul de ergernis uit eigen ervaring maar in. Ondanks dat is het met veel inspanning en goede bedoelingen geschreven, geredigeerd, van een aansprekende cover voorzien, gedrukt en uitgegeven. Daardoor is het zeker een zes waard, misschien een kleine zeven. Als een zesje wordt het alleen niet uitgelezen, laat staan cadeau gegeven om iemand een plezier mee te doen; het is als de fles wijn met het veelbelovende etiket waarvan je de inhoud door de gootsteen spoelt.

Moet het dan een bestseller zijn?

Natuurlijk niet. Maar om Peter Buwalde opnieuw aan te halen: “je moet een boek schrijven dat je zelf graag op je verjaardag krijgt.”

Wat is er nog te verbeteren?

Wat ik zoal tegenkom? Bij mijn laatste verbeterlezing was het het vraagteken dat als afsluiting bij een vragende zin ontbrak en een zin waar ik twee keer hetzelfde woord achter elkaar had gebruikt. Dat laatste kan correct zijn, maar was het in dat geval niet. Ook heb ik hele alinea’s geschrapt en andere toegevoegd. Ik heb de namen van personen gewijzigd om daarna te constateren dat er vier mannen met de naam Willem in het verhaal rondlopen. Dat is zelfs voor de schrijver verwarrend! En de opening? Die heb ik al vijf keer herschreven.

Uit handen geven.

Genoeg over twijfel bij het her-over-schrijven: tijd voor bevestiging. Ik heb het opgestuurd naar een erkende en ervaren redacteur. Die heeft toegezegd het manuscript serieus te beoordelen en dat vervolgens open en helder naar mij te verwoorden. Ik wacht zijn reactie in alle rust af…

Een perfecte dag.

Morgen wordt hij honderd. Wordt pa honderd op 2 mei 2050. Een perfecte dag, hoe wreed is de tijd. Hij houdt zijn gezicht voor de scanner en na een piep van herkenning zwaait de deur open. Zonder te treuzelen loopt hij naar binnen. Achter hem valt de deur in het slot. In de huiskamer zit pa in zijn gemakkelijke stoel. Hij kijkt naar een praatprogramma op de televisie. Zijn vader kijkt op als zijn schaduw over het beeld valt. Pa fronst.
‘Nou, pa, nog een dag.’ De verwarring trekt langzaam uit het gezicht.
‘Ja, jongen. Nog één dag.’
“Jongen.” Zijn ogen zoeken het gezicht van zijn vader af. Zoeken de afspiegeling van wat er nu in zijn vader omgaat. Zoeken houvast voor zijn eigen emotie.
‘Koffie jongen?’
Een “ja” rolt uit zijn mond voor de vraag tot hem doordringt. ‘Blijf maar zitten, ik…’ Het heeft geen zin. Pa is al uit zijn stoel opgestaan en loopt naar de keuken. Hij gaat op de bank zitten.
‘Komt Ans niet? Ze is er morgen toch wel?’
Hij hoort de verontrusting in de stem. ‘Ik moet je haar groeten overbrengen.’ De ijzersterke genen van zijn vader beschermde hem en Ans tegen bijna alles. Soms werden ze verkouden, maar dan lag het halve land al met griep onder de dekens. Maar echt ziek? Nooit!
“Jongen.” Er zijn drie jaar voorbij gesloft sinds de diagnose. Het waren de gebeurtenissen daarvoor die in zijn geheugen stonden gebrand – Van een kant sneed de hogesnelheidstrein met 420 kilometer per uur de tunnel in, de goederentrein denderde van de ander kant naar binnen. Uit de dubbele coïtus zou niets goeds voortkomen: er was maar een spoor. Binnen een half uur werden de eerste traumamakende beelden op alle media getoond. Het extra nieuws nam ook bezit van zijn projectiescherm. De vraag of Ans in díé trein zat hamerde direct tegen zijn middenrif. Ans was op weg naar hem. Hij had haar gevraagd of ze een paar dagen voor de verjaardag van pa wou komen, pa leek in de war en hij wist niet wat hij moest doen. De stilte in zijn hoofd gaf het antwoord lang voor de officiële bevestiging: Ans was dood. Er was een treincrash voor nodig om zijn zus kapot te krijgen –. Er was geen begrafenis of crematie: de grond was te duur en cremeren niet efficiënt. Een eenvoudige ceremonie van een halfuur, meer tijd was er niet nodig om te lichaam in een poeder te veranderen. Wie de overblijfselen wou meenemen kon nog kiezen in welke vorm. Zijn vader wilde, nee, kón het niet bevatten. De arts concludeerde Alzheimer.

‘Alsjeblieft, melk en suiker staan op tafel.’
Hij pakt de koffiemok van zijn vader aan. ‘Dank je wel pa.’ Hij drinkt zijn koffie zwart, al 20 jaar.
‘Zorg je wel goed voor de tuin als ik weg ben?’ Pa is weer gaan zitten.
‘Geen zorgen pa, de nieuwe bewoner houdt ook van tuinieren. Dat heeft hij bij de bezichtiging gezegd.’
‘De nieuwe bewoner?
‘Ja pa, je komt hier niet terug.’
‘Waar moet ik straks dan wonen?’
Pa weet het niet meer. ‘Dat is allemaal geregeld pa.’ Zijn stem slaat over: ‘Maak je nou maar geen zorgen.’ De niet begrijpende uitdrukking op het gezicht van zijn vader doet dat met hem. Het is goed dat pa het niet meer weet. Dertig jaar terug dachten ze nog dat de zorg onbetaalbaar zou worden als iedereen steeds ouder werd. De laatste vijftien jaar konden ze bijna alle ziekten snel genezen en anders ging je dood. In beide gevallen waren de zorgkosten beperkt. In het “bijna” zat het probleem verscholen: de klassieke ziektes van de hersenen, die konden ze niet genezen. Daarvoor is er de begeleiding gekomen. Het klinkt heel humaan: “Wet van eindfasebegeleiding”. Tien jaar is erover gesproken. Vier regeringen waren er op gesneuveld. Drie jaar is de wet nu actief. Drie jaar is de termijn. In die tijd wordt er niet behandeld. Hij wil de laatste dag niet somberen. ‘Pa, heb je woensdag het voetbal gezien?’
Het gezicht van pa begint te stralen: ‘Ze worden weer kampioen!’
‘Als ze vanavond winnen.’
‘Natuurlijk winnen ze, ze spelen tegen Zeeland. Die hebben in de laatste vier wedstrijden maar een keer gelijkgespeeld en de rest verloren.’
Pa onthoudt de dingen, heel even; het werd zojuist op de televisie gezegd. ‘Eerst zien, dan …’
‘Waarom kijk je niet hier?’
Even aarzelt hij, dan laat hij de blijdschap die de vraag in hem oproept toe. ‘Leuk, dan haal ik chinees.’
‘Met bier?’ Het klinkt hoopvol. De begeleidingsinstelling staat geen alcohol aan de bewoners toe.
Hij lacht: ‘Ja, met bier.’
Het is iets na negen uur als hij de woning van zijn vader uitloopt. Hun laatste avond: een voetbalavond. Het is lang geleden dat hij zijn vader zo opgewonden en blij heeft gezien: zijn club is weer kampioen. Het was een perfecte dag.

De lentezon voelt aangenaam warm op zijn huid, neutraliseert de koele ochtendbries. Uit de bomen klinkt een harmonieus lied, gezongen door in groen verscholen vogels. Muzikale begeleiding op zijn weg naar pa. Een perfecte dag. Hij haalt diep adem voor hij het gebouw binnenloopt.

Zijn vader zit in zijn gemakkelijke stoel. Een kleine reiskoffer met wieltjes staat ernaast. Na een reis van honderd jaar is het eenvoudig pakken. Zijn hoed er bovenop: die mag hij niet vergeten. ‘Hallo pa.’
‘Hallo jongen.’ Verwachtingsvol kijkt hij langs mij heen. Dan weer de verontrusting: ‘Is Ans er nog niet?’
‘Ans wacht op jou pa.’ Hij weet niet waarom hij het zegt. Hij moest het zeggen: het is wat hij voelt.
‘Dan is het goed.’
Hij gaat op de bank zitten en kijkt zijn vader aan. Perkament gezicht, knokkig lichaam, raspende stem, heldere ogen, geen stok om te lopen, geen medicijnen om te plassen, geen apparaat om te horen: een lichaam honderd jaar met trots gedragen. Alleen het geheugen, het geheugen laat pa in de steek.
Hij hoort de buitendeur opengaan en kijkt opzij. Het is een begeleider. Zij draagt een zacht blauw pak zonder revers met een satijnen gloed. Het geeft haar een vredige uitstraling. Ze duwt een rolstoel.
‘Goedemorgen meneer Kaars, ‘ begroet ze enthousiast. ‘Ik zie dat u al klaar bent voor de reis. En u zoon is ook gekomen. Dat is mooi.’
‘Ik ga naar Ans.’ Een lach tekent nieuwe rimpels in het gezicht van pa.
‘Dat is fijn. Zal ik u helpen om in de rolstoel te komen?’ Dan richt ze zich met een verontschuldigend schouderophalen naar mij. ‘Het is voorschrift. Als iemand valt en daarbij gewond raakt moet het uitgesteld worden.’
Ik knik begrijpend. Dat klinkt goed: “Uitgesteld worden.” Pa zit al in de rolstoel.

De begeleider helpt pa uit de rolstoel en loopt met hem de vertrekruimte in. De beeldschermen die de zijwanden vormen vertonen grasland met grazende koeien. Een herkauwer kijkt hun hypnotiserend malend aan. Pa is op een boerderij opgegroeid. Ik blijf bij de deur staan.
Pa draait zich naar mij om. ‘Kom je niet mee?’
‘Nee pa, ik kom later. Ans is er al.’

Pa knikt. ‘Nou, dag jongen.’
‘Dag pa.’
De deur gaat dicht. Ik ben vergeten pa te feliciteren.

Ik ben de enige in de ontvangstkamer. Het sereen witte kruis aan de muur symboliseert geloof zonder gebonden te zijn aan een godsdienst. Rustgevende muziek zonder zichtbare bron golft zacht door de ruimte. Het zonlicht wordt door de kleurrijke glas-in-loodramen onthard. Er is geen klok.
Dan gaat de deur open. Het is de begeleider die binnenkomt. Er kan hooguit een halfuur verstreken zijn. In haar handen draagt ze een 30 cm hoge sculptuur. Door de bijna doorschijnende witte structuur lijkt de vorm telkens te veranderen. De basisvorm is mens. Voorzichtig neem ik de sculptuur van haar over: ‘Hij is prachtig.’
‘Ja, dat is hij zeker.’ Ze wacht even terwijl ik het beeld bestudeer. ‘Wilt u hier nog even zijn?’
‘Nee, dank u. Het is tijd dat we naar huis te gaan.’

Thuis zet ik het beeld naast de andere sculptuur. Pa is weer bij Ans.

1 2 3 4 5 6