Expansiedrift? Pas op voor expressiestress!

Gisteravond was een van de onderwerpen bij Pauw & Witteman “religiestress”. Het is eerder dit jaar geïntroduceerd door theoloog Mikkers in zijn gelijknamige boek. Het woord heeft kracht, het staat op zichzelf in eenvoud en helderheid. Het woord heeft zelfs recent een eigen website gekregen waar je kan toetsen of je het hebt: religiestress.

Het woord is ook door Van Dale genomineerd als woord van het jaar. Natuurlijk niet nadat Van Dale het woord een definitie heeft gegeven: ‘geheel van religieuze spanningen die kunnen optreden in een moderne, seculiere samenleving als die wordt geconfronteerd met traditionele godsdienstuitingen’. Wat mij daaraan verbaast is dat een zo helder gecomprimeerd woord een zo geëxpandeerde omschrijving nodig heeft. Is dat een teken van expansiedrift: ‘oncontroleerbare dwang om duidelijke woorden in nodeloos lange omschrijving weer te geven’? Als dat maar niet tot expressiestress leidt..

Mijn weg naar schrijverschap

Mijn aanloop naar het schrijverschap is een pad waarbij ik het eindpunt nog niet bereikt heb: een gepubliceerd boek. Ondertussen heb ik geleerd dat er voor aankomende schrijvers geen routebeschrijvingen bestaat waarmee de eindbestemming gegarandeerd gevonden wordt. Het is pionieren met landkaarten waar stukken nog niet ingetekend zijn. Het is zoeken naar een schatkaart waarbij het kruisje op de juiste plek staat. De schatkaarten hebben wel een aantal terugkerend aanknopingspunten op de kaart staan.

Lees!

Lees boeken van succesvolle schrijvers, hun stijl, dialogen, plot, spanningsopbouw; lees over de techniek van schrijven, over stijl, fictie, non-fictie;  lees boeken van stilisten, die inzicht geven, verrassend zijn, verwarrend zijn. Er is zoveel te lezen!

Schrijf!

Schrijf korte verhalen of anekdotes. Schrijf een verhaal voor een schrijfwedstrijd die grenzen aan omvang, vorm of onderwerp stellen. Schrijf zonder onderbreking vanuit gevoel en corrigeer achteraf. Schrijf bedachtzaam de woorden tot zinnen aaneenrijgend. Schrijf blogs of schrijf reacties op blogs. Er is zoveel te schrijven!

Ontdek!

Schrijven is beleving neerzetten in taal. Het is creativiteit vastleggen in woorden. Een bron voor creativiteit zijn nieuwe indrukken. Verrassing en verwarring zijn de verleiders voor het schrijven van een verhaal. Ga naar buiten, kijk om je heen;  ga naar een expositie, concert of film; ontmoet mensen, sta open voor nieuwe ideeën: zwijg en luister. Er is zoveel te ontdekken!

Ik ben onderweg en denk dat ik de juiste kaart in handen heb.

Het is oké om voldoening te halen uit het bestuderen van groeiend gras, maar accepteer het risico een plant te worden.


Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

Hamer: “laat zien, vertel niet!”

Eindelijk is het zover: de definitieve versie is af! Definitief in de zin dat het verhaal staat, het plot duidelijk en de karakters spreken. De twijfel over de persoonsvorm is weg en de ontknoping is op advies aangepast. Dan is er nog een weg te gaan: proeflezers.

Proeflezers: het geluk van de schrijver.

Proeflezers, de ongebonden betrokken vrijwilligers die lezen met passie. Lezers die hun indrukken, gevoel en – door het lezen van honderden zo niet duizenden boeken – ervaring willen teruggeven aan mij, de schrijver. De eerste reacties van de proeflezers heeft mij duidelijk gemaakt dat ik de persoon ben die zich gelukkig mag prijzen.

Verplichting

Verschillende mensen, verschillende meningen. Dat is duidelijk uit de eerste reacties. Het is prachtig om de verschillen in beleving terug te krijgen, te ervaren met welke energie en aandacht het gelezen is. Het schept ook een verplichting. De verplichting om er iets mee te doen. Waarover ik het heb? “Laat zien, vertel niet!”

Laat zien, vertel niet!

Het is iets wat ik herken uit de boeken die ik gelezen heb. Een karakter moet je meenemen in zijn verhaal, emotie, pijn, verdriet. Een vertelling raakt niet. Een vertelling is informatief. Het is een nuttig, nee noodzakelijk element in een boek. Het moet wel op het juiste moment in het verhaal gebruikt worden. In het eerste hoofdstuk heb ik dat niet voor elkaar gekregen. De oplossing: werk!

Een gedeeltelijke “ontboekeming”

Het is mijn eigen uitvaart! Met moeite weet Patrick de deur van de kantine open te trekken. Hij dwingt zichzelf naar binnen te gaan. Patrick krimpt ineen als de deur met een klap achter hem dichtvalt. De zwaarmoedige stilte van het verzamelde personeel golft over hem heen. Weg! Hij wil hier weg! Patrick kijkt naar de starende gezichten van de mensen die geholpen hebben zijn bedrijf groot te maken. Bij een enkeling ziet hij nog een glimp van hoop, de verwachting van een wonder op het gezicht. Zijn maag smeekt om een zuurremmer. Een onzichtbare hand knijpt zijn keel dicht. Zijn mond lijkt gevuld met zand. Hij slikt een aantal keer en schraapt zijn keel. ‘Ik ben er niet in geslaagd het faillissement te voorkomen. Na vandaag heeft een curator het voor het zeggen.’

Er wordt gevloekt, een stoel omver getrapt.

‘Ik dank jullie voor de inzet en fijne samenwerking.’ Patrick hoort het zichzelf zeggen. Hoe stom dat klinkt! 

Hij ziet de vertrouwde gezichten maar kent de gezichtsuitdrukkingen niet. Hij hoort de vragen die ze op hem afvuren. De woorden raken hem. Toch pareert hij niet: geen verontschuldigingen. Ze gaan over een toekomst waarin hij onverbiddelijk buitenspel is gezet. Hij zegt niet dat het hem spijt dat het zo gegaan is. Dat het de schuld van de financiële crisis is, van de bank. Het zouden gekunstelde woorden zijn, aaneengeregen tot nietszeggende zinnen.

Nadat de woede en frustratie in de ruimte is neergeslagen begint de uittocht. Een voor een lopen zijn medewerkers langs hem naar de uitgang: zijn voormalige werknemers. Ieder neemt op zijn manier afscheid. Elke uitgestoken hand, de opbeurende of berustende woorden, de teleurgestelde of verontschuldigende blik: ze trekken iets uit hem. Als de laatste persoon vertrokken is blijft de leegte over.

 

 

Ontmaskerd: Kunst of Kitsch?

Zonnebloemen

Volgens de navigatie zijn we er bijna als een verkeersbord ons informeert dat de weg geblokkeerd is en alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Ik ken mijn bestemming en rijd door tot de achterste vrije parkeerplaats. Kort daarop lopen mijn reisgenoot en ik het museum in. De feloranje rugzak die ik draag vloekt in kleur en stijl met mijn  donkerblauwe colbert. Ik geneer me er niet voor omdat ik de inhoud ken, ook van de rugzak. Daarbij draag ik een eettafel-voor-zes lang en breed schilderij in mijn handen. De prachtige zonnebloemen zijn onder grijze paardendeken verstopt. Het schilderij is van mijn reisgezelschap. Zij draagt ook twee onder doek verstopte schilderijen. De enig mogelijke elegante entree die wij nog kunnen maken is met een ontwapenend vriendelijke glimlach.

Oude Meester

Aan een tafel krijgen wij op vertoon van onze toegangskaarten twee nummertjes. Ze beloven een wachttijd van meer dan een uur. Het prachtige nazomerweer nodigt ons uit om op het terras te wachten. We vinden plek aan een tafel waar een ander stel zit. Nadat tijd en zon de lokale atmosfeer ontdooit heeft gaat het gesprek over schilderijen, natuurlijk gaat het over schilderijen: zij hebben er ook een bij zich.

“We hebben het al eens laten taxeren,” vertrouwt de man ons toe. “Volgens de galeriehouder was het een oude meester waar hij zo 5.000 gulden voor bood. Wij hebben geen haast om het te verkopen.”

“Zo, u durft wel, ” zeg ik en knik respectvol voor zijn gewaagde handelsgeest. Dan wordt de serie nummers omgeroepen waar wij onder vallen. Wij staan op, net als onze tafelgenoten die onder dezelfde groep vallen. We wensen elkaar succes.

Dat is een vervalsing

Beneden in de lange en brede gang zitten de experts elk aan een eigen tafel. Wij gaan eerst naar ‘Schilderijen’. Er is een voorselectie en we sluiten aan in de rij. Al snel komen we binnen gehoorafstand.

“Helaas, dat is een vervalsing mevrouw,” zegt de expert na een blik op het schilderij geworpen te hebben.

“Ohhh,’ zegt ze opgelaten. Met een stijgende blos op haar gezicht loopt ze samen met haar gezelschap snel weg.

“En nog een slechte ook,” laat de expert zich ontvallen.

Ze doet alsof ze het niet hoort.

De vrouw voor ons onthult een pentekening.

De expert bekijkt het snel van alle kanten. “Dat moet ik even opzoeken en hij pakt zijn tablet.”

De vrouw stapt ondertussen opzij en mijn reisgenoot legt de eerste van haar schilderijen op tafel.

Als een roofvogel duikt de expert er op. Het verschuiven van de bril naar het voorhoofd is een dubbele bevestiging dat deze havik niet alles meer scherp ziet. “U mag naar tafel twee,” is het resolute oordeel. Wij lopen door als onze eerdere tafelgenoten met hun meester naar de tafel lopen.

Op televisie

Hier krijgt de aanbieder van de vermeende kunst de aandacht van de expert die het werk verdient.

“Die etsen zijn kunstig nagemaakt,” verklaart deze expert gedecideerd na het werk te hebben bestudeerd.

Wij zijn aan de beurt en mijn reisgenote overhandigd de eerste twee schilderijen.

“Ik ken de schilder niet,” erkent hij direct. “Ik kan het opzoeken, maar zo te zien zijn de  schilderijen in de eerste helft van de 20ste eeuw in Duitsland gemaakt.” Nadat hij bevestiging van mijn reisgezelschap krijgt vervolgt de expert: “het zijn goede schilderijen en van dezelfde schilder maar niet uitzonderlijk.”

Het is het antwoord waar naar gezocht werd. Er wordt ruimte gemaakt en ik overhandig voorzichtig het derde schilderij.

“Dit is gedurfder geschilderd. Zij was duidelijk bekend met, waarschijnlijk geïnspireerd door Van Gogh. Een mooi origineel werk, maar ook niet uitzonderlijk genoeg voor onze opnames.”

Zichtbaar opgelucht neemt mijn reisgenote het schilderij weer aan. Op televisie? Echt niet!

Ontmaskert

Met de weer aangeklede schilderijen lopen we naar de expert voor niet-Westerse kunst, Jaap Polak, en sluiten aan in de rij. Op dat moment staat hij op vanachter zijn tafel.

“Komen jullie voor mij of staan jullie op de bus te wachten? Kom erbij, hier gebeurt het.”

Jan Polak houdt van zijn publiek en we gaan naar de tafel. Dit is het moment waarop ik mijn rugzak afdoe. Jan Polak wisselt tussen razendsnelle kwinkslagen: “Chinese winkel 6,95.‘ en een geduldige uitleg over de betekenis van de christelijke afbeelding op het houten paneel.

Ondertussen ben ik bij de hoek van de tafel aangekomen en haal de Afrikaanse maskers uit mijn rugzak en leg deze op de tafel. Ik zie dat Polak het ziet maar moet geduld hebben.

“Dat is Benin,’ zegt Polak wijzend naar mijn bronzen masker. “Gemaakt voor de toeristen. De originele maskers hebben een glad gezicht en alleen de verticale strepen onder de mond.”

Ik lach hardop, ik kan niet anders.

 

 

 

Dan pakt polak voorzichtig het houten masker op. “Prachtig gesneden Afrikaans houtsnijwerk uit Gabon, Pumu stam.”

Hij kijkt mij aan voor hij verder spreekt.

“De waarde is 1 miljoen euro…” Polak kijkt naar zijn publiek, “als het een zeventiende eeuws dansmasker was. Maar dat zie je direct, er zitten maar twee gaatjes in de zijkant. Hoe moet een Afrikaanse danser daar door ademen?” Er wordt gelachen.

Het is geen teleurstelling, het is een prachtige anekdote.

Polak is nog niet klaar met zijn toelichting. “De maskers zijn waarschijnlijk door missionarissen mee naar Europa gebracht. Maar dat zegt het al: mis-sjonaarris. De waarde is enkele honderden euro’s.”

Geen kunst of kitsch bij Kunst en Kitsch

Origineel Afrikaans handwerk: ik vind het prachtig.

Bibberbezoek

Vandaag was het weer zover en, zoals gewoonlijk, kwam ik op de minuut af op tijd op de afspraak. Niet dat ik op elke afspraak zo punctueel ben, maar wel als ik naar de tandarts ga…, of de fysio, of osteopaat. Nu besef ik het, al komt het inzicht rijkelijk laat: ik heb een dwangneurose om bij elke arts, paat of peut stipt op tijd te zijn. Mijn geluk is dat deze tic niet behandeld hoeft te worden. Het is ook een onzinnige tic: hoe vaak moet je juist in de wachtkamer wachten? Dat het de ruimte nuttig gebruikt wordt betekent niet dat de praktijk ook efficiënt gebruik wordt, integendeel zou ik zeggen. Ja, sorry: ik dwaal af.

Om die tijd in wachtkamers zo kort mogelijk te laten zijn is mijn remedie de eerste afspraak van de dag te plannen. Het werkt, meestal. Vandaag dus niet. Mijn tandarts was er wel, ik kon zijn onmiskenbaar krakende stem vanuit de gang horen, maar nog niet beschikbaar voor mij. Er bleef niets anders over dan geduldig te wachten. Daarbij is het effect van de eerste afspraak dat ik de enige in de wachtkamer was. Alleen met geen ander gezelschap dat het schilderij dat “geschonken” was door de voormalige tandarts die de praktijk had overgedaan aan het collectief dat er nu inzat. Elke keer als de kraalogen van de in het bruin uniform gestoken, gezette, blozende, zittende  man met zijn grote rode alcoholneus mij aankeken vroeg ik het me af: was het de ultieme grap van de tandarts die ooit deze praktijk bestierde? Welk verhaal zat er achter dit fascinerend onooglijk schilderij? Had hij zijn praktijk overgedragen zonder er geld voor te vragen mits zijn schilderij in de wachtkamer kwam te hangen? En wie was die man, een tandarts uit het leger? Het toonbeeld van iemand die de liefde voor zijn werk verwarde met zijn sadistische neigingen? Een arts waar je als patiënt de bibbers van krijgt?

De opengaande deur onderbreekt mijn gedachte. Het is mijn tandarts. Tien minuten later sta ik weer buiten: alles in orde.

We kunnen er niet omheen, wie wij zijn…

Wie zijn wij? Wat willen wij? Waarom verwachten wij…? Wij als in u en ik, uw buurman, mijn buurvrouw, uw baas, mijn chef, uw beste vriend, mijn ergste vijand. Heb ik antwoorden? Ik heb vragen!

Waarom roepen we om zelfbeschikking terwijl we eisen dat we van de wieg tot de dood verzorgt worden? Waarom zoeken we uitdagingen om ons te ontplooien en zijn we bang voor verandering? Waarom reizen we naar de uithoeken van de wereld maar staan we argwanend, zo niet afwijzend, tegenover nieuwe buren als die niet hetzelfde kloffie dragen als de andere buren, laat staan dat het kloffie gedragen wordt door mensen die niet op ons lijken? Waarom rollebollen de bollebozen van de gevestigde socialistische organisaties over het beeldscherm terwijl een nieuwe economie van ongebonden sociale en grenzeloze samenwerking ontstaat? Waarom voelen we genoegdoening bij het zien van de radeloosheid bij de gewone man/vrouw van de zwakste eurolanden op de volgende crisismaatregel terwijl zij, net als wij, geen andere schuld hebben aan het ontstaan van de crisis dan het periodiek kleuren met het rode potlood? Waarom verwijten van onze medici en zorginstellingen dat ze zoveel kosten maken terwijl we eisen dat ze alle mogelijke middelen in zetten om onze dood zo lang mogelijk uit te stellen? Waarom vrezen we de eenzaamheid en zijn er steeds meer alleengaanden? Waarom…

Is het angst voor de vrijheid, of de zucht naar dwang? Is het dat we bang zijn dat ons iets onthouden wordt, of is het een afkeer voor verrassingen? Is het onze drang naar individuele vrijheid, of willen we de geborgenheid van samenzijn? Is het dat we uiteindelijk alleen aan onszelf denken, of willen we ons verbergen in het collectief?

Is dat het? Het is niet volledig of alles omsluitend, maar onmiskenbaar. We kunnen er niet omheen of erbuiten: we zijn onderdeel van het collectief in al haar veelvormige overeenkomsten, ieder een element van de mensheid.

De reisgenote

Stelvio in France

Het is net na halfnegen in de ochtend als ik uit het authentieke Franse hotel loop dat ter hoogte van Clermont-Ferrand in het prachtige Auvergne ligt. Zei ik ‘authentiek’? In de tijd bevroren is een betere omschrijving. Ik weet niet goed waarom ik er de vorige avond introk. Oké het was al 20.00 uur geweest en de dichtstbijzijnde stad was nog minimaal drie kwartier rijden over slingerende landwegen. En ja, ze had die combinatie van de innemende glimlach met die mysterieus donkere ogen waardoor een kamer met een tweepersoonsbed een meervoudige belofte inhoud. Ik accepteerde de kamer terwijl ik me afvroeg of er een Franse versie van Hotel California bestond: ik zou niet uit-checken! Het bleek een valse belofte: het was haar laatste handeling van die avond en ik werd overgelaten aan de gastvrijheid van het Nederlandse stel dat het hotel recent had overgenomen. Vriendelijk en doorleefd, zo zou ik ze omschrijven, net als het van rook doortrokken interieur dat uit verschillende brocante winkels bijeen geroofd leek. De folder? Die heb ik beleefd afgeslagen: het is ook zo een eind weg van Utrecht…Ik geloof dat ik afgedwaald ben.

Mijn Moto Guzzi Stelvio stond al bepakt klaar om het laatste deel van de terugreis af te leggen: 700 kilometer over kronkelende d-wegen over Luxemburg om bij Luik de snelweg op te duiken voor een laatste drempelvrij stuk. De navigatie aangesloten, tanktas vastgezet en…,  daar zat ze. Zonder iets te vragen had ze zich een plek verworven op mijn motor. Ongegeneerd was ze gaan zitten in afwachting van wat er komen zou. Even overwoog ik haar weg te sturen. Toen bedacht ik dat zij het waarschijnlijk ook niet langer bij het hotel uithield. Ik zette mijn helm op, trok mijn handschoenen aan en vertrok.   

Het was droog, droog maar fris, natte neus en koude over je ruggengraat fris. De zon deed zijn best door de sluierbewolking heen te branden maar slaagde daar amper in. De kronkelende rode asfaltweg lag als een uitdagend spoor door het hooggelegen heuvelachtige landschap. De Stelvio vond de route feilloos en vrat de weg onder de banden op. Door de stijgende temperatuur werd het met 9 0C bijna aangenaam, bijna! Zonder te kijken voelde ik dat zij er nog zat, veilig verscholen achter het grote scherm. De eerste 100 kilometer zat erop en het oplichtende waarschuwingslampje gaf aan dat een tankstop verstandig was. Ik stopte bij de eerste gelegenheid en zag dat de tegenoverliggende bar op deze zondagochtend open was. Dat zij niet op mijn uitnodiging inging weerhield mij er niet van om er een café te drinken. Toen ik terugkwam zat ze er nog. Ik haalde mijn schouders op en al snel waren we weer onderweg. Ik begon mij af te vragen waar zij heen wilde? Zou ze meerijden tot mijn huis? Ik had ondertussen door dat zij mijn taal niet sprak, al leek ze me wel te begrijpen. Of zou ze onderweg afscheid nemen? Onverwacht, net zo onaangekondigd als ze op de Guzzi was gaan zitten? Ik zou het vanzelf merken.

De weg veranderde: zwart asfalt, bredere wegen, meer verkeer. Ik wist dat het nog 30 km zou duren voor ik weer de landelijke wegen zou treffen. Eerst nog de drukte van een middelgrote stad door: zij trok zich er niets van aan. Het landschap ontvouwde zich weer in de pracht van het gedorste glooiende graanakkers en groene weilanden. De teller gaf aan dat er weer 150 kilometer door de Stelvio verslonden waren. Een volgend dorp vroeg om een aangepaste snelheid. Ik merkte dat mijn passagier onrustig werd. Was het een teken dat wij snel afscheid zouden nemen? Het doorgehaalde naambord gaf aan dat ik de dorpsgrens weer overschreed en ik liet de Stelvio accelereren. Tot mijn verbazing sprong zij toen van de motor, de grote groene sabelsprinkhaan. Ik zie haar lange voelsprieten nog in de wind trillen. De laatste 700 kilometer heb ik zonder reisgenoot afgelegd.

De Maaltijd: een klein theater

Het handgeschreven menu dat achter glas naast de voordeur hangt is voor mij een uitnodiging om naar binnen te gaan. Dat het acht uur ‘s avonds is en ik trek heb en op zoek ben naar een restaurant heeft ook zo zijn invloed. Het ligt in een zijstraat van een klein, authentiek dorp in de Languedoc-Roussillon. Vanaf de doorgaande weg staat aangegeven dat het de afslag naar de kerk is en een wijngaard. Hoe ik het toch gevonden heb? Het was mijn overtuiging dat er in het dorp toch minimaal een restaurant moest zijn.

Het is een huiskamer formaat restaurant waar je met twee keer vallen in de keuken belandt. Ik word vriendelijk ontvangen en krijg een tafeltje ingeklemd tussen een ouder Brits echtpaar met een zwaar accent, een tafel van vier en met uitzicht op een Frans gezelschap van vijf personen. Ik ben precies op tijd, de gasten die twee minuten na mij komen krijgen te horen dat het vol is.

Het is lang geleden dat ik Franse les in krijt op zwartbord kreeg.Vanavond begint mijn volgende les: Franse keuken. Met een beetje schutteren en mijn charmantste lach lukt het mij een voor- en hoofdgerecht te bestellen met een, ja een, glas rode wijn. Na de bestelling vraagt de gastvrouw of ik hier voor zaken ben? ‘Nee,’ antwoord ik in mijn beste Frans, ‘ik ben op vakantie.’

‘Alleen?’, is haar verbaasde antwoord. Haar intonatie en gezicht verduidelijken haar empathie.

Uit het boekje dat onopvallend prominent op mijn tafel ligt maak ik op dat het restaurant vermeld staat in een gids van beloften. Ik schrik niet, de prijzen heb ik al gezien. Het voorgerecht overtreft mijn verwachting, de wijn ook. De tafel van vier naast mij wordt bezet door een tweede Brits gezelschap. Deze groep kan ik zelfs verstaan. Naast mij krijgt de tafel van twee hun hoofdgerecht. Het is duidelijk dat ze ervan genieten: elleboog op tafel, vork in het vuist en prikken maar.

Het Franse gezelschap, contrastvol elegant gekleed in verhouding tot de niet ingezetene gasten, voert een geanimeerd gesprek. Door de korte afstand – hoeveel afstand kan je creëren met 16 zitplaatsen aan gescheiden twee- en vierpersoons tafels in een woonkamer van vier bij vijf meter? – en de ondersteunende mimiek kan ik op hoofdlijnen volgen waarover ze praten, zelfs door het te luide gekakel van de Britse tafel van vier! Ondertussen heb ik ook mijn hoofdgerecht, dat net zo proeft als het smaakvol is opgediend, opgegeten.

Wanneer ik een kwartier later na een café als afsluiter weer buiten sta heb ik € 28,50 afgerekend. Ik vind het een prima bedrag voor een geweldige maaltijd in een klein theater.

 

 

 

Verhalenvertellers met overtuiging

Met de onzekerheid van iemand die eens in de drie jaar met de trein reist stapte ik in: was dit wel de 2de klasse? Een blik op het interieur stelde mij gerust en ik nam plaats op de eerste vrije plek. Niet dat het druk was, maar op deze zitplaats had ik niemand naast me. Terwijl de trein vertrok pakte ik de Metro die iemand had achtergelaten. Een groot deel van het nieuws werd in beslag genomen door de aanstaande verkiezingen. Zei ik nieuws? Ik bedoelde de verwoording van bekende standpunten en tegenstelling tussen Samsom en Rutte, de spanningsloze strijd tussen Roemer, Wilders en Pechtold, het hopeloze opportunisme van Slob en Sap. Het te late inzicht van het CDA werd geïllustreerd door de afwezigheid in die editie, maar misschien had ik een over een treurtijding heen gelezen?  Het leek wel komkommertijd in de politieke journalistiek. Met een zucht legde ik de krant terug.

‘Het zijn illusionisten van een onbestaanbare toekomst.’

‘Sorry?’, reageerde ik verbaasd.

‘De politici, ze scheppen een toekomstbeeld dat niet zal uitkomen. We hoeven alleen in de recente geschiedenis te kijken om die waarheid te zien.’

‘Oh ja? De files zijn behoorlijk afgenomen, de export groeit en er zijn minder illega….’ Daarna viel ik stil. Het waren de enige wapenfeit die ik zo snel kon bedenken en de vragen, in hoeverre die door voorgaande kabinetten in gang waren gezet en of de oorzaak in de sterk veranderde economische situatie lag, drongen zich op.

‘Uit uw stilvallen maak ik op dat ik de groeiende werkeloosheid, ondermaats onderwijs en explosief stijgende zorgkosten niet hoef te noemen?’

Ik kon slechts instemmend knikken.

‘De door politici voorspelde uitkomsten die waarheid worden berusten voornamelijk op toeval.’

‘Toeval ? Ik neem aan dat de berekeningen van het CPB een deugdelijkere onderbouwing hebben als een kansberekening.’

‘Ze doen wat ze kunnen maar zijn slechts de rekenmeesters van een toekomst waar verandering buitengesloten is. Hun berekening is niets meer dan een voorspelling.’

‘Ik geloof dat ik het niet helemaal begrijp…’

‘De eurocrisis in Europa, een zeebeving die de kerncentrales van Fukushima verwoesten, de Arabische lente: het zijn de niet of nauwelijks onvoorspelbare zaken  die een sterke invloed hebben op de recente ontwikkelingen in Nederland.’

‘Dat is te makkelijk, het zijn de zaken waar je geen beleid op kunt voeren.’

‘Nee, maar  neem nou de recente discussie over de stijgende zorgkosten.’

‘Ja,’ zei ik hoorbaar verbaasd. ‘Dat is toch juist een punt waar ingrijpen  onvermijdelijk lijkt?’

‘Op het eerste gezicht wel. Alleen de eerste gepersonaliseerde medicijnen op basis van  genentest worden al toegepast. Hoe lang duurt het nog voor de geneeskunde daarmee effectiever en ook goedkoper wordt? Vijf jaar? tien jaar?’

‘Dat neemt niet weg dat…’ Ik kreeg de kans niet mijn zin niet af te maken.

‘En het overgrote  deel van de toegenomen zorgkosten ontstaan in iemands laatste twee levensjaren, de jaren waar ouderdomsverschijnselen en levensverlengende zorg elkaar ontmoeten. Hoe ver moeten we daar in gaan? Waarom hoor je daar de politici niet over?’

‘Dat begrijp ik wel, dat is niet allen politiek gevoelig, het is een ethische kwestie.’

‘En de oudedagsvoorziening:  zodra het evenwicht tussen het aantal mensen dat met pensioen gaat en de in Nederland beschikbare mensen die de vrijkomende arbeid kunnen invullen verstoort raakt, ontstaat daardoor dan geen nieuwe arbeidsmigratie? Moet de pensioenleeftijd niet meegroeien met de levensverwachting? Er ontstaat toch altijd een nieuw evenwicht?’

De trein remt af en ik besef dat het mijn halte is en sta op. ‘Interessante discussie, maar ik moet er hier uit.’

‘Het zijn verhalenvertellers met een overtuiging maar zonder visie. Je kan het de politici alleen niet teveel aanrekenen.’

Mijn aandrang om de tot stilstand gekomen trein te verlaten verloor het van mijn nieuwsgierigheid: ‘Waarom niet?’

‘Politici zijn slechts waarzeggers zonder voorspellende kristallen bol, daar verandert hun overtuiging niets aan.’

 

Terwijl ik over het perron liep bedacht ik dat ik vaker met de trein moest reizen: in de auto zou ik zo een gesprek nooit gevoerd hebben, laat staan met mezelf.

1 2 3 4 5 6