Boeoeoe – proloog

Spoedeisende hulp

Fock! Hij ziet me niet,” echode het in zijn helm. Hij kneep al hard in de voorrem en trapte simultaan op de achterrem voor hij bedacht dat hij van zijn leven hield, dat hij er teveel plezier in had om nu te sterven. De 250 kilo zware motor dook voorover in zijn vering en de achterband schreef een sierlijk golvende lijn van zwart rubber op het asfalt. De auto groeide, greep steeds meer ruimte van zijn zicht, Hij had zelf te hard gereden, véél te hard. Op de automatische piloot schakelde hij terug om zonder hapering op te kunnen trekken. Optrekken? Het ging pijn doen. Hij zou niet dood gaan, dat stond hij niet toe.

‘Hij is verdwenen ik heb hem niet gezien hij is verdwenen ik heb hem niet gezien hij is–”

‘Meneer, even rustig.” Een andere stem.

Inderdaad. Haal diep adem, zwijg en luister: dan zouden ze hem horen! Waarom zagen ze hem niet? Waarom zag hij niets… Het zou pijn moeten doen, er was geen pijn. Dat moest de adrenaline zijn. “Toen ik het ziekenhuis kwam voelde ik de pijn pas.”, dat hoorde je de mensen toch zeggen? Het was een ongekende ervaring, hoewel? Als hij zelf met kiespijn naar de tandarts ging was de pijn weg zodra hij in de stoel zat, wist zelfs niet meer aan welke kant hij de minuut ervoor last had gehad. De laatste keer had hij het voor de zekerheid opgeschreven. Stress was een vreemd ding… Hij mocht niet in slaap vallen, dan zouden ze hem nooit vinden. “HIER. HALLO.” Hij hoorde het niet, zijn eigen stem niet.

Be Sociable, Share!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *