Category Archives: Schrijverijen

Mijn weg naar schrijverschap

Mijn aanloop naar het schrijverschap is een pad waarbij ik het eindpunt nog niet bereikt heb: een gepubliceerd boek. Ondertussen heb ik geleerd dat er voor aankomende schrijvers geen routebeschrijvingen bestaat waarmee de eindbestemming gegarandeerd gevonden wordt. Het is pionieren met landkaarten waar stukken nog niet ingetekend zijn. Het is zoeken naar een schatkaart waarbij het kruisje op de juiste plek staat. De schatkaarten hebben wel een aantal terugkerend aanknopingspunten op de kaart staan.

Lees!

Lees boeken van succesvolle schrijvers, hun stijl, dialogen, plot, spanningsopbouw; lees over de techniek van schrijven, over stijl, fictie, non-fictie;  lees boeken van stilisten, die inzicht geven, verrassend zijn, verwarrend zijn. Er is zoveel te lezen!

Schrijf!

Schrijf korte verhalen of anekdotes. Schrijf een verhaal voor een schrijfwedstrijd die grenzen aan omvang, vorm of onderwerp stellen. Schrijf zonder onderbreking vanuit gevoel en corrigeer achteraf. Schrijf bedachtzaam de woorden tot zinnen aaneenrijgend. Schrijf blogs of schrijf reacties op blogs. Er is zoveel te schrijven!

Ontdek!

Schrijven is beleving neerzetten in taal. Het is creativiteit vastleggen in woorden. Een bron voor creativiteit zijn nieuwe indrukken. Verrassing en verwarring zijn de verleiders voor het schrijven van een verhaal. Ga naar buiten, kijk om je heen;  ga naar een expositie, concert of film; ontmoet mensen, sta open voor nieuwe ideeën: zwijg en luister. Er is zoveel te ontdekken!

Ik ben onderweg en denk dat ik de juiste kaart in handen heb.

Het is oké om voldoening te halen uit het bestuderen van groeiend gras, maar accepteer het risico een plant te worden.


Gedeeld leed

‘Het is een onbekend nummer!’

‘Neem nou maar op!’ De plons van een geschilde aardappel die in een pan met water gegooid wordt onderschrijft Karin’s stemming: kriegelig.

Karin is mijn vrouw en net als zij ben ik uit mijn hum. Mijn chagrijn komt doordat ik mijn eigenwaarde verlies. Mijn baan heb ik al verloren. Mijn humeur werkt op Karin’s zenuwen. Ik zucht en druk op opnemen. Als het een verkooppraatje is hang ik op. ‘Goedenavond, Pieter Waagmans?’

‘Goedenavond. Wilma Vis, verpleegkundige spoedeisende hulp Ziekenhuis Amsterdam. Paul Waagmans is bij ons binnengebracht na een ernstig ongeval. Uw naam staat in zijn telefoon onder “in geval van nood”. Hij wordt zo dadelijk geopereerd.

Het duurt een halve klap: dan stopt mijn hart. Paul is verongelukt. Onze zoon wordt geopereerd! Emotie en vragen verdringen elkaar om geuit te worden, alleen ‘Nee!’ bereikt mijn spraak. Het knetterend geluid van een scooter dringt vanuit de tuin in de kamer door. Kwaad door deze inbreuk in mijn angst kijk ik om.

‘Volgens de politie is hij door een auto geschept. U bent zijn zoon?’

Het is Paul die door de poort komt. Hij is niet verongelukt! Tranen stromen over mijn wangen. ‘Maar…’ “Zijn zoon.” De echo van de woorden krijgen betekenis. ‘Ja,’ zeg ik met verstikte stem en schraap mijn keel, ‘ik ben zijn zoon.’ Het schuldgevoel torpedeert mijn geluksgevoel, mijn beenspieren beginnen oncontroleerbaar te trillen, ik moet gaan zitten.

‘U hoeft zich niet te haasten, de operatie gaat enkele uren duren. Daarna kunnen we iets zeggen over de kans op herstel…’

De te regelen formaliteiten, waar we ons kunnen melden: het is een nog-te-doenlijst met aandachtpunten. Ik besef dat ik het moeiteloos emotieloos registreer, dat het een onontkoombare vlucht is voor de realiteit van het moment, dat de ruimte in de tijd die daardoor ontstaat het mij mogelijk maakt nu te handelen. ‘Dank u wel,’ zeg ik vlak. ‘Wij zullen er over een uurtje zijn.’

Mijn beenspieren kunnen mij weer dragen en ik loop naar de keuken. Paul plaagt zijn moeder door een stuk vers gesneden tomaat van de snijplank te pikken. Het verstoort haar ordening. Paul lacht als Karin hem op zijn vingers probeert te slaan: ze is te laat. Dan merken ze mij op en kijken me aan.

‘Het is opa.’

‘Nee, vanavond niet,’ reageert Karin direct. ‘Ik ben bijna klaar met het eten. Hij weet dat ik er niet van houd als hij onaangekondigd binnen valt.’

‘Wat is er met opa?’ Paul fronst zorgelijk alsof hij aanvoelt dat er meer aan de hand is.

‘Opa is met de motor verongelukt. Hij wordt zo geopereerd. Ze weten niet of hij het redt.’

Karin kijkt eerst verontwaardigd naar mij, dan naar de pan geschilde aardappelen en als laatste naar Paul. De tekening op zijn gezicht verraadt zijn inspanning om niet te huilen. Karin bijt op haar onderlip: het vertelt mij dat ze vecht om haar boosheid niet te laten ontsnappen. Paul is gek op naam-opa, Karin niet. Paul is gek op ons, wij ook op Paul. Paul is het zegel op ons stilzwijgende verbond: Paul wordt geen kind van gescheiden ouders tot hij afgestudeerd is en op zichzelf woont. Paul moet zijn middelbare school nog afronden. Paul is een sterke schakel.

Ik pak Paul bij zijn schouders. ‘Opa is taai, voor je het weet loopt hij weer rond.’ Dan sluit ik hem in mijn armen. Hij ontspant, een beetje. Karin’s gezicht staat nog strak. ‘We kunnen eerst eten. De verpleegkundige zei dat de operatie enkele uren zou duren. We hoefden ons niet te haasten.’

Karin haalt haar schouders op en ontsteekt een pit van het gasfornuis. ‘Ook goed.’ Ze zet de aardappelen op het vuur.

Paul wringt zich uit mijn omarming. ‘Het is goed pa.’ Het lijkt of hij zich opeens herinnert dat hij het ongemakkelijk vindt om met een man te knuffelen, zelfs met zijn vader.

In het ziekenhuis blijkt dat de operatie nog bezig is. Met de belofte dat er iemand komt om ons over de toestand van pa/opa te informeren worden we naar een wachtkamer gedirigeerd. De klinische inrichting wordt verstoord door een kunstwerk waarin ik een koe zie. Karin zit met haar armen strak over elkaar naast mij. De koe steekt zijn tong naar me uit. Paul zit tegenover ons en gaat op in de wereld achter zijn smartphone. Wat inspireerde de kunstenaar: leedvermaak?

Een verpleegster komt binnen. ‘Familie Waagmans?’

‘Ja,’ zeggen mijn vrouw en ik in koor terwijl we opstaan. Er zijn momenten waarop we een eenheid vormen. Paul komt naast mij staan en ik sla een arm over zijn schouders.

‘Wilma Vis, ik heb u geïnformeerd over het ongeval van uw vader.’

Zwijgend luisteren we naar de uitleg van Wilma over de toestand van onze vader, schoonvader, opa.

‘Meneer Waagmans heeft een schedelbasisfractuur, lage dwarslaesie en botbreuken in beide benen.’

Waarom klinkt ze als Annet, de werkplaatsreceptioniste van onze garage? Is het de omslachtig gebrachte empathie waarmee ze de geconstateerde gebreken opsomt? Verwacht ze dat een directe benadering ons afschrikt? Dat we zullen roepen dat het zinloos is zoveel tijd en geld aan dat ouwe lijk te spenderen? Dat ze het wrak moeten afvoeren?

‘Het operatieteam heeft met succes de druk op de hersenen verminderd. Het directe levensgevaar is verdwenen maar het is te vroeg om iets te kunnen zeggen over de gevolgen.’

Of raken de woorden de kern van onze onmacht? Het besef dat je zelf de gebreken niet kunt herstellen, dat je er geen verstand van hebt. Dat je overgeleverd bent aan de kennis en kunde van anderen zonder dat je in staat bent om te controleren of dat wat ze adviseren de beste oplossing is?

‘Daarna zijn drie van de onderste wervels vastgezet. De laesie is niet volledig, al is de kans dat hij na de revalidatie weer kan lopen klein.

Karin pakt mijn linkerhand en knijpt zachtjes. Ik voel dat onze breuk heelt. De koe lacht. De kunst van gedeeld leed?

 

Over Talent gesproken!

#blogpraat

Op de Twitter #blogpraat ontstond deze maandagavond een pad naar “Talent” via “echt goed schrijven.” Wat is talent? Is het een ongrijpbaar fenomeen waarmee je geboren wordt? Alsof iemand tegen mij zou zeggen: ‘Daar ben je dan, in de bloei van je leven met een uitstekend inlevingsvermogen, aangeboren taalgevoel en bruisend van ideeën . Het enige wat tussen jou en een gelauwerde carrière als schrijver staat is de tijd om een boek te schrijven! Je hebt een aangeboren Talent: gebruik het!’

Dat is hetzelfde als tegen iemand met een atletisch lichaam vertellen dat alleen de wedstrijd zelf tussen hem of haar en een overwinning in de atletiek staat. Alsof elke sporter die een medaille op de olympische spelen heeft gewonnen geluk heeft gehad  dat de persoon met het echte talent niet meedeed.

Talent is een optelsom

Ik geloof er niet in. Natuurlijk, er zijn elementaire voorwaarden, capaciteiten is een beter woord,  die iemand moet bezitten om de handelingen die aan het talent worden toegewezen uit te kunnen voeren. Die capaciteiten zorgen ervoor dat je het werk kan leveren om je iets eigen te maken, je dan te verbeteren om er uiteindelijk goed in te worden. Talent is een optelsom: capaciteit + werk.

‘Passion and hard work beats out natural talent’

Iemand die het fenomeen “Talent” op een aansprekende manier heeft verwoord is Pete Doctor, de prijs winnende animator die bij Pixar gewerkt heeft aan Toy Story 1 en 2, Monsters enz. In zijn brief over talent schrijft hij: “whatever you like doing, do it! And keep doing it. Work hard! In the end, passion and hard work beats out natural talent. (And anyway, if you love what you do, it’s not really “work” anyway.)” http://www.lettersofnote.com/2012/07/whatever-you-like-doing-do-it.html

Of ik talent heb? Ik werk er aan..

Lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes

Toekomst van het lezen? Volg de generatie (2)

De nog naamloze generatie, de mensen die vanaf 2000 zijn geboren, heeft zijn collectieve bewustzijn, en daarmee de reactie op de tijdsgeest waarin deze tot stand komt, nog niet gevormd. Het is de generatie die opgroeit in opeenvolgende economische crisissen, revoluties gedragen door de onstuitbare communicatiemogelijkheden van social media, beschamende onderwijsinstituten, swipen en (straks) met een tablet vol studieboeken naar school fietst. Daarin zie ik geen hoopvol aanknopingspunt voor de uitgevers van de gedrukte media. Of het ‘Actieplan Kunst van het Lezen 2012 – 2015’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een leesrevolutie te weeg brengt… Het zal in ieder geval de taalvaardigheid van de jeugd verbeteren.

Een manier om het leesgedrag te bevorderen is de aankomende generaties duidelijk te maken dat lezen een avontuur is. Die lezen laat concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding zoals sporten, on- en offline gamen en interactieve televisie. Hierbij gaat het om de verwachting van de beleving en het kunnen delen van die beleving met anderen. Het natuurlijk gedrag van kinderen als ze ouder worden is dat ze hun grenzen willen verkennen, nieuwe vrijheden veroveren en al zoekende naar voeding voor de hormonaal gestuurde sensatiehonger de wereld van internet en televisie omarmen. Een digitale wereld waar ze onverbloemd seks en oorlog – fantasieloos plastisch of gruwelijk realistisch – voor hun voeten geworpen krijgen. Het ´mooie´ is dat de bevrediging van de primaire puberale noden ´gratis´ is. Er hoeft niet voor betaald te worden én het vraagt geen andere inspanning dan naar een scherm te staren. Een boek heeft die voordelen niet, ongeacht of ervoor betaald wordt; lezen is een inspanning: om de beloning te krijgen moet je ervoor werken. Hiermee kom ik niet in conflict met het idee dat je lezen moet laten concurreren met de alternatieven voor vrijetijdsbesteding,­ sporten en gamen vereisen tenslotte ook een inspanning, maar vraag ik me wel af of het leesgedrag van deze leeftijdsgroep werkelijk te beïnvloeden is? Natuurlijk, ook zij worden beïnvloed: door hypes en helden, door apps en X-factor,  altijd bereik en altijd zichtbaar. Ze zijn gelinkt met al hun muziek- en sporthelden, maar hoeveel hebben een link met een schrijver?

Is het daarmee een verloren zaak? Of wordt alleen de verkeerde leeftijdsgroep benaderd ? Lezen hoeft niet te concurreren met social media en online gaming; lezen moet de strijd aangaan met kleurkrijt en voetbalplaatjes, met poppenwagen en lego. Aanwijzingen dat juist bij jonge kinderen de toekomst van het lezen wordt bepaald is te lezen in “Over ouders en leesopvoeding”[1].van Natascha Notten en in Sociale (lees)activiteiten zijn belangrijk voor de taalontwikkeling van zeer jonge kinderen[2] van Merel van Goch. De nationale voorleesdagen, waar ook BNN-ers zich graag van hun erudiete zijde laten zien, dragen dus werkelijk bij aan de leesvaardigheid, en daarmee de toekomst van de uitgevers. En, vraag ik me dan af, wat doen de uitgevers om hun toekomst te garanderen? Zijn er alleen initiatieven van kinderboekenschrijvers die zelf de mogelijkheid van voorlezen op scholen en bibliotheken aanbieden en organiseren? Uitgevers vallen onder de creatieve industrie, maar waar zijn hun vernieuwende ingevingen? Als promotie voor een film of via een spaaractie bij een grootgrutter kan, waarom kan dat niet voor kinderboeken? Als een door NV Nederland gecontroleerde loterij kaarten voor musicals kan weggeven, waarom dan geen (kinder)boek of –boekenbon?

Maar dat de komende generaties voornamelijk digitaal zullen lezen is voor mijn geen vraag meer onderdeel van de natuurlijke evolutie van de aankomende swipegeneraties.

Toekomst van het lezen? Volg de generatie.

Al sinds 1975 besteedt elke opvolgende generatie minder tijd aan lezen dan de voorgaande generatie. Is dat nieuws? Nee. De cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2010) en diverse onderzoeken[1] die in opdracht van Stichting Lezen zijn uitgevoerd bevestigen die trend. Ondanks die voortdurende daling zijn uitgevers er tot 2009 in geslaagd het aantal verkochte boeken en de omzet te laten stijgen[2]. Als oorzaak voor de kentering van het aantal verkochte boeken werd de crisis van 2008 als belangrijke reden opgevoerd. Het is nu 2012 en de omzet en het aantal verkochte boeken daalt nog altijd. De nieuwe – of voortdurende? –  crisis aanwijzen als schuldige verandert niets aan de onderliggende trend: er wordt minder tijd aan lezen besteed. Is daarmee ook de toekomst van het lezen voorspelbaar? En zo ja, is het verloop (nog) te beïnvloeden?

Er zijn vijf ‘actief’ lezende generaties: stille generatie, babyboomers, generaties X en Y en Einstein. De generatie die nu zijn overgang van studie naar werk en gezin maakt, generatie Einstein, is sociaal bewegelijk, betrokken en uitdaging zoekend. Van deze generatie wordt door ondernemingen in de praktijk de voorspellende waarde getoetst van de voorgaande visies over hoe deze consument te vermaken en aan je product te binden. Die trendvoorspellingen werden gedaan door de  babyboomende ‘goeroes’. Net als hun voorspellingen zijn ze achterhaald door ‘trendwatchers’ die het socializen commercieel hebben doorgrond door op twitter en facebook naamsbekendheid op te bouwen. Het zijn dezelfde trendwatchers die nu met lezingen, interviews, boeken – de ‘oude media’ – en bedrijfsadviezen hun inkomen verdienen.  Dat de trendwatchers aangeven dat het lezen van e-boeken zal toenemen ten kosten van het papieren boek is geen verrassing: het wordt zelfs door de traditionele uitgevers onderschreven. Opvallend is het gedrag waardoor ze zich laten onderscheiden: de een predikt en de ander prevelt.

Goed, we hebben dus wijze mensen die de trends in vrijetijdsbesteding en consumptie van de archetypen kunnen analyseren en daarmee de huidige tendens kunnen verklaren. Maar wat verandert er daardoor? Kan de verschuiving van gedrukte media naar de digitale wereld nog veranderd worden? Worden manuscripten nog met een kroontjespen geschreven? Nee, maar daarmee is de pen niet uit ons leven verdwenen, en zal het gedrukte boek ook niet zomaar verdwijnen.



[1] Stichting Lezen. http://www.lezen.nl/index.html?spsearch=&age_group_id=0&menu_item_id=105

[2] Kerncijfers Koninklijke Vereniging van het Boekenvak: http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers

“Hamer!” Is het DE titel?

Ik hanteer voor mijn boek al langere tijd “Hamer!” als titel. Het is een naam die terugslaat op de inhoud en waar ik vrij eenvoudig woordspelingen mee kan maken. Woordgrappen met “hamer” vind ik weer lastig, ze raken de kern niet of missen de plank. Het is wel een titel waar ik lange tijd heel tevreden mee ben. Maar ja, nadat ik gelezen had dat een titel een potentiële lezer nieuwsgierig moet maken, begon ik te twijfelen: loopt de potentiële lezer er ook mee weg?

Wie bereik ik met ‘Hamer’ als titel? Trek ik vooral de aandacht van de doe-het-zelfers? De kans dat een amateur-vakman het boek ook koopt acht ik daarbij niet erg groot. Sterker nog, het is waarschijnlijker dat deze het boek in verwarring teruglegt. Gewoon omdat een techneut de logische verbinding tussen de bijzondere bloemen die van de cover afspatten – tulpen, rozen of lelies (ik ben nog in tribio) – met het handgereedschap niet kan maken.

Het onvermijdelijke gevolg – van twijfelen – is dat ik een nieuwe titel heb bedacht: “Het verlies dat het meeste pijn doet.” Daarbij verbind ik de woorden ‘verlies’ en ‘pijn’ met een cover waar een bos bloemen op de grond liggen alsof ze door iemand in teleurstelling of woede zijn neergegooid. Elke bloem moet door de compositie van de bloembladen een symbool van verbinding uitstralen. Een afbeelding die roept om aandacht. Maar ja, lok ik daarmee niet alleen nieuwsgierige biologen? Verwelkt de afbeelding niet elk initieel enthousiasme bij de vrijetijdsbloemenkweker? Is het wel verstandig dat die titel op zichzelf staat, of is het eerder op zijn plaats als ondertitel van “Hamer!”? En schrik ik daarmee alsnog die doe-het-zelfer af die ook graag een spannend boek leest zolang het maar niet te romantisch wordt? Of ben ik nu aan het wa(o)uwelen?

Het brullen van de gorilla

De zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten.

Zit ik op de goede weg? Als aankomend debutant van “Hamer” knaagt die vraag aan mijn vertrouwen tijdens het schaven en corrigeren van het boek. Dat er voor een schrijver, laat staan als nieuwkomer, geen geplaveid pad is naar het grote lezerspubliek staat vast. Maar als ik er achter kan komen dat de door mij ingeslagen weg doodloopt voor er een bladzijde gedrukt is, kan ik nog teruglopen om een andere weg te zoeken. De weg die ik zoek is niet meer dan een pad in het woud van de boekenwereld. Een woud is veranderlijk. Het is doorvlochten met hindernissen. De doorgang van gisteren is vandaag overwoekerd. Zwiepende takken slaan kleding en huid stuk, natte bladeren draineren de energie uit het lichaam, de zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten. Het is vechten en ploeteren om toegang te krijgen tot een wereld die gesloten wil blijven.

Tips over het schrijven van een goede seksscène

Deze week las ik op tzum.info een recensie van een boek van Ilja Leonard Pfeijffer: “Hoe word ik een beroemd schrijver?”, geschreven door Coen Pepelenbos. Ik weet niet wat precies de doorslag gaf om het boek te bestellen? Misschien de belofte dat het voor iedere aankomende schrijver met gevoel voor ironie een aanrader is? Of de herinnering aan zijn tips over het schrijven van een goede seksscène: dat de beleving en de gedachten van de spelers tijdens de daad veel interessanter zijn dan de beschrijving van de seks zelf? De wetenschap dat hij in zijn oeuvre over de breedte van het schrijverschap de verdieping heeft opgezocht? Het waarom maakt niet uit, het resultaat wel. Ik heb het boek eergisteren bij mijn lokale boekhandel opgehaald en Pfeijffer daarmee indirect ­– gerekend naar de hoogst haalbare 15% schrijversprovisie die ik hem toedicht – een biertje geschonken.

Omdat het doorweven is met humor

Het brullen van de gorilla, dat is het beeld dat in mij opkwam halverwege het lezen van Pfeijffer’s “Hoe word ik een beroemd schrijver?” Het imponeren met zijn kennis, het geroffel op de borst over het bespelen van interviewers en de woestheid waarmee hij zijn kritiek op de, in zijn beleving, onbenullige critici en gemarkeerde recensenten rondslingert. Nu ik het helemaal gelezen heb zie ik zijn boek eerder als een anekdotische inkijk in het leven van een succesvol literair schrijver dan een leidraad om er een te worden. Voor iemand zoals ik, die het (deeltijd) schrijverschap ambieert, geven de anekdoten wel een verdiepende helikopterblik op de schrijverswereld: het oerwoud blijft net zo gesloten, maar je weet wel wat je te wachten staat als je er toch in weet door te dringen. De ondertitel: “Een literair zelfhulpboek” onderbouwt Pfeijffer feilloos in zijn boek. Daarnaast schenkt hij mij in het hoofdstuk: “Moeten we thrillerschrijvers serieus nemen?”, alle argumenten waarom ik in een eerder blog schrijf dat “Hamer” een literaire thriller is. Bovenal is het een prettig boek om te lezen, niet in de laatste plaats omdat het doorvlochten is met humor – zelfs als die een donkere sluier draagt –, en zijn er voor elke schrijver aanwijzingen te ontdekken om zijn eigen gekrabbel te verbeteren – zelf heb ik nog het (on)nodige bloemwerk te wieden in de dialogen van “Hamer”.

Het is Ilja de zilverrug die brult

Na het lezen heb ik mijn eerdere beeld ook bijgesteld: het is Ilja de zilverrug die brult. Het zijn verbale waarschuwingen om zijn literaire woud niet te betreden met pulp, ongefundeerde kritiek of als onbenullige recensent.

Verwarrende ontmoeting in het bos.

Het bos, een plek van rust. Even een wandeling om het hoofd leeg te maken. Het is nog geen vijf minuten lopen van mijn huis en het weer is goed. De makkelijke schoenen aan en een jas mee tegen niet voorspelde regen.

Het is weer druk, in dit deel van het bos. Het is nog vijf minuten lopen om door de familiezone te komen. In die ruimte is ook geen plek voor mij. Ik ben een wandelaar zonder gezelschap. Ik pas niet in het beeld van de mensen die hier zijn.

Het is een vrolijk geluid, spelende kinderen in het bos. Ik laat het achter me. De stilte wordt gedomineerde door kwiterende, krassende en koerende vogels.

“Kees!”

Verbaasd kijk ik om. Wie roept mij? Andermans trouwe viervoeter loopt op mij af. De kwispelende staart verteld zijn nieuwsgierigheid. Ik zie niemand.

“Kees!”

De hond kijkt om. Ik kijk op. Een man stapt tussen de bomen door op het pad. Kees rent naar de man. Wat een vreemde naam voor…

Hoe doe ik dat: debuteren?

Als schrijver wil ik dat Hamer straks gelezen wordt. Ik wil dat Hamer een succes wordt. Heb ik al gemeld dat ik een debutant op het schrijverspodium ben? Bij deze dan. De vraag die daarom steeds in mij opkomt is: hoe doe ik dat, debuteren? Voor mijn doelgroep, de liefhebber van het literaire spannende boek, ben ik een onbekende. Ik heb ook geen geschiedenis, en daarmee berekenbare marktwaarde, als journalist, redacteur, politicus of andere televisiepersoonlijkheid.

Zei ik literair? Ja, ik neem het voorschot dat de toekomstige lezer Hamer als literair werk erkent. Gewaagd? Nauwelijks. Pretentieus? Dat zou het zijn als ik mij op voorhand een niet toegekend hoofddeksel aanmeet. Ambitieus? Ja, volmondig ja.

De geijkte weg is via een van de bekende uitgevers. De kans om daartussen te komen? Een manuscript uit een “slash pile”! Buiten dat er in het Nederlands taalgebied een beperkt aantal uitgevers zijn, geven deze per jaar minder nieuwe titels uit. Daarbij krijgen Nederlandse vertalingen van de in het buitenland bewezen kassuccessen steeds vaker de voorkeur boven de maagdelijke debutant.

Dat de vertrouwde route over het geplaveide pad prevaleert boven de mogelijke verrassing van de onbekende weg werd deze week (22 april 2012) bevestigd in het programma Kunststof TV. In dit geval door Joost Nijsen, oprichter van uitgeverij Podium, die in het programma zat om, o.a., zijn eigen boek ‘ABC van de literaire uitgeverij’ te promoten. Op de vraag van presentator Joost Karhof: ‘Hoe kom je aan een goed boek?’, reageerde hij met: ‘in de manuscriptenstapel zit  bijna nooit wat in.’ Oké, niet echt hoopvol. Verderop in de uitzending vertelde hij: ‘Maar meestal komen ze anders tot je als uitgever. Komen ze via via bij je. Mensen die je kennen of een actrice…’

Is dat de oplossing? Zorgen dat ik bekend word? Of zorgen dat ik iemand ken die een uitgever kent? Daar denk ik dus over na. Ondertussen maak ik de volgende slag in het redigeren van Hamer.

Hamer… Help, ik wil dat het gelezen wordt!

Schrijven is leuk, inspirerend maar het is ook werk. Als ik terugdenk aan de ouderwetse typemachine waarop ik mijn eerste werkstukken voor school schreef – ja ik ben nog van die generatie – ben ik blij dat de arbeid nu, dankzij de computer, minder noest is. Dat neemt niet weg dat ik als schrijver voor mijn inspanning beloond, en in die zin ook erkend, wil worden. De manier om erkenning te krijgen is zorgen dat ik gelezen wordt. Ik speel al enige tijd met verschillend gedachten over hoe ik denk dat voor elkaar te krijgen. Een van die gedachten heb ik hieronder uitgewerkt.

Ik heb niet de illusie dat mijn debuut “Hamer” een schokgolf in de literaire fundamenten teweegbrengt zoals “Ik Jan Cremer” in de jaren zestig. De ideeën van Jan Cremer om rumoer rondom zijn eerste boek te creëren zijn wel de klassieke voorbeelden van creatieve en gerichte marketing om een boek te promoten. In deze tijd een creatieve afgeleide van “’n onverbiddelijke bestseller” op de omslag plaatsen zal, en terecht, weinig meer opleveren dan een meewarige blik. Daarbij doorbreken de het ijzige geweld waar je bloed van gaat zweten of de met ruimte voor verbeelding omschreven seksscènes in mijn boek geen taboes, zoals Jan Cremer wel deed.

Seks en geweld zijn niet wat het boek draagt. Dat is de hoofdpersoon die je meeneemt in zijn strijd. Het is zijn strijd tegen de leegte van zijn bestaan nadat zijn bedrijf tegen alle verwachtingen in failliet gaat en zijn vrouw hem de deur uitzet. Zijn zoektocht naar de mensen en redenen achter het faillissement speelt zich af in de actualiteit van de financiële crisis. De visie op de achilleshiel van het kapitalisme – hebzucht – neem ik voor mijn rekening. Het (on)breekbare van oude vriendschappen is al vaker aangesneden, net als de positieve energie die mensen uit kleine genoegens weten te halen of de verwoesting die woede door vermeend onrecht kan aanrichten.

Wat ik beloof is dat je er niet aan kan ontsnappen om tijdens het lezen opnieuw na te denken over je sympathieën voor de hoofdpersonen. Wat ik verwacht is dat je al lezend door een scala aan emoties geraakt wordt. Ik durf ook zonder schroom te schrijven dat je uiteindelijk met iemand wil praten over het boek – misschien al voor je het uit hebt, of het zelfs maar gelezen hebt…

Nee, ik verwacht niet hetzelfde rumoer teweeg te brengen als “Ik Jan Cremer”. Maar een beetje reuring kan geen kwaad. Toch?

1 2 3