Category Archives: Hamer

Beoordeling Hamer: “begin opnieuw”!

Als je als schrijver je manuscript aan een redacteur voorlegt voor een beoordeling is “begin opnieuw” niet de conclusie die je wilt lezen. Het is wel wat ik afgelopen weekend las. Dat is…, ja wat is het? Wat doet het met mij? Het doet pijn. Niet zoals een gaatje bij de tandarts dat ook na het boren zeurt. Het is als de afwijzing door een geliefde. Een recente liefde die van het verkennende stadium naar consumptie is overgegaan, een liefde waarvan je gelooft dat je bij de ander past, dat er een toekomst voor samen is en dan wordt je uit die warme beloftevolle omhelzing weggeduwd! Dat zij het toch heel anders ziet en het samen leuk was, voor even. Dan wordt ik even stil… Maar niet te lang: het is slechts een verhaal niet mijn leven. Opnieuw de beoordeling lezen: wat staat er nu echt? Waarom zal het “geen toegang krijgen tot de boekenmarkt”? Au, moet ik toch naar de tandarts?

Constructie

“Het verhaal is te veel ‘constructie’, in die zin dat de lezer te goed kan zien hoe de auteur aan het timmeren is…” en “… de lezer zal zich daardoor onvoldoende betrokken voelen bij de lotgevallen van de twee hoofdpersonen.” Daar wordt een van de kernelementen van het onderscheid tot een verhaal en een goed boek geraakt: de lezer erin betrekken. De redacteur reikt de oplossing vervolgens aan: “Dat is allereerst een technische kwestie: in de scènes wordt niet bewust genoeg voor één vertelperspectief gekozen. Met een paar eenvoudige ingrepen is dit te verhelpen en dan krijgen we absoluut een beter script.” De verteltechnische fouten, of zoals de redacteur het aanduidt als ‘het dwarrelen’ van perspectief tussen de verschillende personen in een scène waardoor sommige passages verwarrend zijn.  Verwarrend? Waar heb ik dat eerder gehoord. Oké, niet meer fladderen, gewoon stevig op de stok blijven zitten. Dat ik er daarmee nog niet ben is al duidelijk geworden doordat ik de conclusie van de redacteur “begin opnieuw” al in het begin heb verklapt.

De opzet en de rol van de verteller

“Het meest opvallende van de opzet is natuurlijk dat naast de hoofdpersoon ook de dader gevolgd wordt, een aanpak die uitzonderlijk is in een thriller.” De redacteur noemt het evidente voordeel dat
doordat de lezers weten wat de dader van plan is de auteur veel spanning creëert, en laat niet na het nadeel te benoemen dat juist hierdoor het constructie-achtige van het verhaal zo nadrukkelijk aanwezig blijft. De vraag is natuurlijk hoe zorg ik ervoor dat het minder constructie wordt? Indirect geeft de redacteur een aanwijzing, namelijk zorg dat de hoofdpersoon meer karakter krijgt en waarschuwt direct dat schrijvers in de praktijk “het perspectief niet bij een krankzinnige seriemoordenaar leggen omdat dat niet geloofwaardig in te vullen is.” Het dilemma waar ik mee worstel is om het perspectief van de dader volledig te schrappen tegenover het kiezen van niet gebaande paden.

Dat ik wel vaker de gangbare oplossing negeer en kies voor een ander aanpak blijkt uit de reactie op mijn keuze voor de rol van de hoofdpersoon, waarbij ik de ik-persoon in de tegenwoordige tijd laat vertellen. Zoals ik nu begrijp is het een mogelijkheid, maar alleen door de ‘ik’ consequent te laten reageren op het hier-en-nu. Die consequentie ontbreekt door wisseling van tegenwoordige met verleden tijd en reflecties, erger nog: ik ga de mist in door een dialoog samen te vatten. Het is duidelijk dat ik hier struikel over een taalhindernis en plat op m’n bek val. Eh nee: ik ben gestruikeld en plat op mijn bek gevallen.

Hoe nu verder? Daar kom ik op terug!

De beoordeling van het manuscript van Hamer is gedaan door Hans ter Mors van Bureau Script Noordwijk.

“Hamer!” Is het DE titel?

Ik hanteer voor mijn boek al langere tijd “Hamer!” als titel. Het is een naam die terugslaat op de inhoud en waar ik vrij eenvoudig woordspelingen mee kan maken. Woordgrappen met “hamer” vind ik weer lastig, ze raken de kern niet of missen de plank. Het is wel een titel waar ik lange tijd heel tevreden mee ben. Maar ja, nadat ik gelezen had dat een titel een potentiële lezer nieuwsgierig moet maken, begon ik te twijfelen: loopt de potentiële lezer er ook mee weg?

Wie bereik ik met ‘Hamer’ als titel? Trek ik vooral de aandacht van de doe-het-zelfers? De kans dat een amateur-vakman het boek ook koopt acht ik daarbij niet erg groot. Sterker nog, het is waarschijnlijker dat deze het boek in verwarring teruglegt. Gewoon omdat een techneut de logische verbinding tussen de bijzondere bloemen die van de cover afspatten – tulpen, rozen of lelies (ik ben nog in tribio) – met het handgereedschap niet kan maken.

Het onvermijdelijke gevolg – van twijfelen – is dat ik een nieuwe titel heb bedacht: “Het verlies dat het meeste pijn doet.” Daarbij verbind ik de woorden ‘verlies’ en ‘pijn’ met een cover waar een bos bloemen op de grond liggen alsof ze door iemand in teleurstelling of woede zijn neergegooid. Elke bloem moet door de compositie van de bloembladen een symbool van verbinding uitstralen. Een afbeelding die roept om aandacht. Maar ja, lok ik daarmee niet alleen nieuwsgierige biologen? Verwelkt de afbeelding niet elk initieel enthousiasme bij de vrijetijdsbloemenkweker? Is het wel verstandig dat die titel op zichzelf staat, of is het eerder op zijn plaats als ondertitel van “Hamer!”? En schrik ik daarmee alsnog die doe-het-zelfer af die ook graag een spannend boek leest zolang het maar niet te romantisch wordt? Of ben ik nu aan het wa(o)uwelen?

Goed genoeg, is dat ook goed genoeg?

Hoe vaak moet je een zelf geschreven verhaal herlezen om de onvolkomenheden eruit te halen? Wanneer is het dan goed? Nou, het is nooit goed genoeg. Of toch wel? In ieder geval vind ik elke keer dat ik het lees weer nieuwe dingen die ik kan verbeteren. De twijfel is er: is het goed genoeg?

Waarom niet? Een zes is toch ook voldoende?

We zijn ermee opgegroeid, onze ‘zesjes cultuur’. Ook ik heb verschillende opleidingen op die manier met een diploma afgerond, maar verdien ik daarom lof? Iedereen die een boek leent of koopt doet dat om er plezier aan te beleven of om er iets van te leren, misschien wel allebei. En dan valt het tegen: het boeit niet, is ongeloofwaardig, langdradig of vul de ergernis uit eigen ervaring maar in. Ondanks dat is het met veel inspanning en goede bedoelingen geschreven, geredigeerd, van een aansprekende cover voorzien, gedrukt en uitgegeven. Daardoor is het zeker een zes waard, misschien een kleine zeven. Als een zesje wordt het alleen niet uitgelezen, laat staan cadeau gegeven om iemand een plezier mee te doen; het is als de fles wijn met het veelbelovende etiket waarvan je de inhoud door de gootsteen spoelt.

Moet het dan een bestseller zijn?

Natuurlijk niet. Maar om Peter Buwalde opnieuw aan te halen: “je moet een boek schrijven dat je zelf graag op je verjaardag krijgt.”

Wat is er nog te verbeteren?

Wat ik zoal tegenkom? Bij mijn laatste verbeterlezing was het het vraagteken dat als afsluiting bij een vragende zin ontbrak en een zin waar ik twee keer hetzelfde woord achter elkaar had gebruikt. Dat laatste kan correct zijn, maar was het in dat geval niet. Ook heb ik hele alinea’s geschrapt en andere toegevoegd. Ik heb de namen van personen gewijzigd om daarna te constateren dat er vier mannen met de naam Willem in het verhaal rondlopen. Dat is zelfs voor de schrijver verwarrend! En de opening? Die heb ik al vijf keer herschreven.

Uit handen geven.

Genoeg over twijfel bij het her-over-schrijven: tijd voor bevestiging. Ik heb het opgestuurd naar een erkende en ervaren redacteur. Die heeft toegezegd het manuscript serieus te beoordelen en dat vervolgens open en helder naar mij te verwoorden. Ik wacht zijn reactie in alle rust af…

Het brullen van de gorilla

De zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten.

Zit ik op de goede weg? Als aankomend debutant van “Hamer” knaagt die vraag aan mijn vertrouwen tijdens het schaven en corrigeren van het boek. Dat er voor een schrijver, laat staan als nieuwkomer, geen geplaveid pad is naar het grote lezerspubliek staat vast. Maar als ik er achter kan komen dat de door mij ingeslagen weg doodloopt voor er een bladzijde gedrukt is, kan ik nog teruglopen om een andere weg te zoeken. De weg die ik zoek is niet meer dan een pad in het woud van de boekenwereld. Een woud is veranderlijk. Het is doorvlochten met hindernissen. De doorgang van gisteren is vandaag overwoekerd. Zwiepende takken slaan kleding en huid stuk, natte bladeren draineren de energie uit het lichaam, de zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten. Het is vechten en ploeteren om toegang te krijgen tot een wereld die gesloten wil blijven.

Tips over het schrijven van een goede seksscène

Deze week las ik op tzum.info een recensie van een boek van Ilja Leonard Pfeijffer: “Hoe word ik een beroemd schrijver?”, geschreven door Coen Pepelenbos. Ik weet niet wat precies de doorslag gaf om het boek te bestellen? Misschien de belofte dat het voor iedere aankomende schrijver met gevoel voor ironie een aanrader is? Of de herinnering aan zijn tips over het schrijven van een goede seksscène: dat de beleving en de gedachten van de spelers tijdens de daad veel interessanter zijn dan de beschrijving van de seks zelf? De wetenschap dat hij in zijn oeuvre over de breedte van het schrijverschap de verdieping heeft opgezocht? Het waarom maakt niet uit, het resultaat wel. Ik heb het boek eergisteren bij mijn lokale boekhandel opgehaald en Pfeijffer daarmee indirect ­– gerekend naar de hoogst haalbare 15% schrijversprovisie die ik hem toedicht – een biertje geschonken.

Omdat het doorweven is met humor

Het brullen van de gorilla, dat is het beeld dat in mij opkwam halverwege het lezen van Pfeijffer’s “Hoe word ik een beroemd schrijver?” Het imponeren met zijn kennis, het geroffel op de borst over het bespelen van interviewers en de woestheid waarmee hij zijn kritiek op de, in zijn beleving, onbenullige critici en gemarkeerde recensenten rondslingert. Nu ik het helemaal gelezen heb zie ik zijn boek eerder als een anekdotische inkijk in het leven van een succesvol literair schrijver dan een leidraad om er een te worden. Voor iemand zoals ik, die het (deeltijd) schrijverschap ambieert, geven de anekdoten wel een verdiepende helikopterblik op de schrijverswereld: het oerwoud blijft net zo gesloten, maar je weet wel wat je te wachten staat als je er toch in weet door te dringen. De ondertitel: “Een literair zelfhulpboek” onderbouwt Pfeijffer feilloos in zijn boek. Daarnaast schenkt hij mij in het hoofdstuk: “Moeten we thrillerschrijvers serieus nemen?”, alle argumenten waarom ik in een eerder blog schrijf dat “Hamer” een literaire thriller is. Bovenal is het een prettig boek om te lezen, niet in de laatste plaats omdat het doorvlochten is met humor – zelfs als die een donkere sluier draagt –, en zijn er voor elke schrijver aanwijzingen te ontdekken om zijn eigen gekrabbel te verbeteren – zelf heb ik nog het (on)nodige bloemwerk te wieden in de dialogen van “Hamer”.

Het is Ilja de zilverrug die brult

Na het lezen heb ik mijn eerdere beeld ook bijgesteld: het is Ilja de zilverrug die brult. Het zijn verbale waarschuwingen om zijn literaire woud niet te betreden met pulp, ongefundeerde kritiek of als onbenullige recensent.

Hoe doe ik dat: debuteren?

Als schrijver wil ik dat Hamer straks gelezen wordt. Ik wil dat Hamer een succes wordt. Heb ik al gemeld dat ik een debutant op het schrijverspodium ben? Bij deze dan. De vraag die daarom steeds in mij opkomt is: hoe doe ik dat, debuteren? Voor mijn doelgroep, de liefhebber van het literaire spannende boek, ben ik een onbekende. Ik heb ook geen geschiedenis, en daarmee berekenbare marktwaarde, als journalist, redacteur, politicus of andere televisiepersoonlijkheid.

Zei ik literair? Ja, ik neem het voorschot dat de toekomstige lezer Hamer als literair werk erkent. Gewaagd? Nauwelijks. Pretentieus? Dat zou het zijn als ik mij op voorhand een niet toegekend hoofddeksel aanmeet. Ambitieus? Ja, volmondig ja.

De geijkte weg is via een van de bekende uitgevers. De kans om daartussen te komen? Een manuscript uit een “slash pile”! Buiten dat er in het Nederlands taalgebied een beperkt aantal uitgevers zijn, geven deze per jaar minder nieuwe titels uit. Daarbij krijgen Nederlandse vertalingen van de in het buitenland bewezen kassuccessen steeds vaker de voorkeur boven de maagdelijke debutant.

Dat de vertrouwde route over het geplaveide pad prevaleert boven de mogelijke verrassing van de onbekende weg werd deze week (22 april 2012) bevestigd in het programma Kunststof TV. In dit geval door Joost Nijsen, oprichter van uitgeverij Podium, die in het programma zat om, o.a., zijn eigen boek ‘ABC van de literaire uitgeverij’ te promoten. Op de vraag van presentator Joost Karhof: ‘Hoe kom je aan een goed boek?’, reageerde hij met: ‘in de manuscriptenstapel zit  bijna nooit wat in.’ Oké, niet echt hoopvol. Verderop in de uitzending vertelde hij: ‘Maar meestal komen ze anders tot je als uitgever. Komen ze via via bij je. Mensen die je kennen of een actrice…’

Is dat de oplossing? Zorgen dat ik bekend word? Of zorgen dat ik iemand ken die een uitgever kent? Daar denk ik dus over na. Ondertussen maak ik de volgende slag in het redigeren van Hamer.

Hamer… Help, ik wil dat het gelezen wordt!

Schrijven is leuk, inspirerend maar het is ook werk. Als ik terugdenk aan de ouderwetse typemachine waarop ik mijn eerste werkstukken voor school schreef – ja ik ben nog van die generatie – ben ik blij dat de arbeid nu, dankzij de computer, minder noest is. Dat neemt niet weg dat ik als schrijver voor mijn inspanning beloond, en in die zin ook erkend, wil worden. De manier om erkenning te krijgen is zorgen dat ik gelezen wordt. Ik speel al enige tijd met verschillend gedachten over hoe ik denk dat voor elkaar te krijgen. Een van die gedachten heb ik hieronder uitgewerkt.

Ik heb niet de illusie dat mijn debuut “Hamer” een schokgolf in de literaire fundamenten teweegbrengt zoals “Ik Jan Cremer” in de jaren zestig. De ideeën van Jan Cremer om rumoer rondom zijn eerste boek te creëren zijn wel de klassieke voorbeelden van creatieve en gerichte marketing om een boek te promoten. In deze tijd een creatieve afgeleide van “’n onverbiddelijke bestseller” op de omslag plaatsen zal, en terecht, weinig meer opleveren dan een meewarige blik. Daarbij doorbreken de het ijzige geweld waar je bloed van gaat zweten of de met ruimte voor verbeelding omschreven seksscènes in mijn boek geen taboes, zoals Jan Cremer wel deed.

Seks en geweld zijn niet wat het boek draagt. Dat is de hoofdpersoon die je meeneemt in zijn strijd. Het is zijn strijd tegen de leegte van zijn bestaan nadat zijn bedrijf tegen alle verwachtingen in failliet gaat en zijn vrouw hem de deur uitzet. Zijn zoektocht naar de mensen en redenen achter het faillissement speelt zich af in de actualiteit van de financiële crisis. De visie op de achilleshiel van het kapitalisme – hebzucht – neem ik voor mijn rekening. Het (on)breekbare van oude vriendschappen is al vaker aangesneden, net als de positieve energie die mensen uit kleine genoegens weten te halen of de verwoesting die woede door vermeend onrecht kan aanrichten.

Wat ik beloof is dat je er niet aan kan ontsnappen om tijdens het lezen opnieuw na te denken over je sympathieën voor de hoofdpersonen. Wat ik verwacht is dat je al lezend door een scala aan emoties geraakt wordt. Ik durf ook zonder schroom te schrijven dat je uiteindelijk met iemand wil praten over het boek – misschien al voor je het uit hebt, of het zelfs maar gelezen hebt…

Nee, ik verwacht niet hetzelfde rumoer teweeg te brengen als “Ik Jan Cremer”. Maar een beetje reuring kan geen kwaad. Toch?

Spring maar achterop… mijn kinderfiets

Een update over de vorderingen. Het corrigeren en aanpassen van Hamer gaat door. Zo heb ik de opening omgegooid en herschreven. Hoe het begint is dus weer een verrassing. Wanneer het boek klaar is ook…

Bij het schrijven wil ik dat je als lezer meegaat in het verhaal, dat de woorden je verbeelding laten spreken. Hieronder een stukje uit Hamer om de nieuwsgierigheid naar het verhaal te prikkelen. De hoofdpersoon, Patrick, is net wakker geworden en beseft dat hij in het ziekenhuis ligt. Dan komt de verpleegster binnen.

‘U bent wakker! Dat is mooi. Hoe voelt u zich?’
Ze lijkt op de vriendelijke buurvrouw die naast mijn ouderlijk huis woonde toen ik nog een hummel op een fiets met zijwieltjes was. De buurvrouw die mij toen regelmatig over mijn bol aaide en zei: “dat ik zo’n lieverdje was.”
‘Adrggehhahhhehhergggeggrr,’ antwoord ik in goed Nederlands.
‘U kunt niet praten, er zit een buis in uw keel,’ reageert ze moederlijk.
‘Dat is wat ik zei,’ spreek ik nu in gedachten en knik met mijn hoofd als teken dat ik het begrijp.
‘Ik zal de dienstdoende arts vragen of we de intubatie eruit kunnen halen,’ vervolgt ze terwijl ze routineus de apparatuur controleert en daarbij aantekeningen maakt. ‘De saturatie is hoog genoeg. Heeft u veel hoofdpijn?’
Ik sper mijn ogen open en trek mijn wenkbrauwen op om aan te geven dat in mijn hoofd de feestband nog lustig op de pauken slaat terwijl de trombonist zich ook niet onbetuigd laat.
‘Juist, ik begrijp het,’ antwoordt ze met een meelevende blik.
Het verbaast mij dat mijn gezicht zo’n open boek is.
De verpleegster vervolgt, ‘U moet nog even doorbijten. Het is een bijwerking van de medicijnen. Als de intubatie eruit is en u hebt kunnen drinken voelt u zich snel een stuk beter.’ Daarna loopt ze de kamer uit.
De dienstdoende arts heeft kennelijk andere prioriteiten dan de buis in mijn keel en ik raak, ondanks de hoofdpijn, verdwaald in een doolhof van gangen vol rook waar geen uitgang in te vinden is. De stem van mijn vroegere buurvrouw roept mij en ik fiets, naar een kant vervaarlijk overhangend op een zijwieltje, in de richting van haar stem. Wanneer ik haar gezicht zie lig ik op mijn rug en merk dat ik zweet, het fietsen was behoorlijk inspannend; de droom is voorbij. Er is een nieuw gezicht: het kijkt zorgzaam en ook enigszins streng naar mij.

De vraag die ik daarbij aan je stel is: zat je achterop?

 

Confrontatie met schrijvers?

Het boek is af! Hoe nu verder? Het begon als een korte anekdote, een element uit een persoonlijke geschiedenis: het idee greep zich vast in het geheugen. De start: contouren van een verhaal ontstaan, de periode is nu, het nu veroorzaakt een crisis, crisis veroorzaakt een conflict, een figuur groeit uit tot een karakter, bladzijden worden gevuld met tekst, er ontstaat een plot.
De tijd die het schrijven vraagt, er is zoveel leuks te doen, ik moet ook werken voor de kost, tijd voor vakantie. Energie, oppakken, gedrevenheid, creativiteit, editor, correcties, corrigeren, laatste bladzijde, het is af.

De afspraak stond al in de agenda: 12 02 2012, Schrijf & Schrap in Breda. Een dag voor schrijvers door schrijvers met o.a. literair agentschap Sebes en Van Gelderen en uitgeverij De Geus; de laatste naam ken ik en van Peter Buwalda heb ik wel eens gehoord, geloof ik… Nog even googelen voor ik op weg ga; ik wil wel eens weten wie de sprekers zijn. Juist: het zijn winnaars. Buwalda heeft een reeks literatuur nominaties en prijzen voor zijn bestsellerdebuut Bonita Avenue, Karin Amatmoekrim heeft de Black Magic Woman Literatuurprijs, Y.M. Dangre de Vlaamse Debuutprijs. Gewapend met nieuwsgierigheid ga ik van huis.

Mijn eerste confrontatie is met Peter Buwalda: hij houdt de deur voor mij open als ik precies achter hem arriveer. Dat het Peter Buwalda was realiseer ik me als hij in de grote zaal als eerste spreker op de rode bank gaat zitten. Dat zijn taalvaardigheid niet beperkt is tot schriftelijke, blijkt als hij inhoudelijk en onderhoudend over het tot stand komen van Anita Avenue vertelt. De andere schrijvers volgen met hun verhaal over debuteren, afgewisseld door een hoofdredacteur van De Geus die de do’s en dont’s – ik zal het niet meer doen – van het contact opnemen met een uitgeverij vertelt. Mijn laatste confrontatie is met Mira Feticu. Ik geef haar de bladzijden van haar debuut Lief kind van mij ­– verschijnt dit voorjaar – terug die zij in de zaal had laten liggen. Op dat moment twijfelde ik of ik gefascineerd werd door de intensiteit en passie waarmee ze eruit voorlas, of de openheid en directheid van het verhaal zelf. Nu weet ik dat zij het was en het precies dat is wat in haar boek terugkomt.

Ik heb in de alinea hiervoor “confrontatie” gebruikt. Dat is niet omdat die mensen confronterend zijn. Het is dat hun verhaal mij met mijn “schrijverschap” confronteert. Hun uitgesproken ervaring is mijn spreekwoordelijke spiegel. Is het intimiderend dat de debutanten Nederlandse letterkunde, Nederlandse literatuur en/of Franse literatuur gestudeerd hebben? Dat het ervaren redacteurs zijn, of journalist, of oprichter van een tijdschrift, of allemaal? Een beetje: de debuterende piloot, Buddy Tegenbosch, bevestigt de regel. De confrontatie heeft er wel voor gezorgd dat ik mijn boek nu als een goed verhaal zie.

Aan het begin vroeg ik: Hoe nu verder?
Het herschrijven is begonnen. Jan Brokken Het Hoe en Jan Renkema Schrijfwijzer heb ik als raadgevende naslagwerken liggen. Het is een goed verhaal: dat is niet goed genoeg. Wanneer is een goed verhaal een goed boek? Is er een pasklaar antwoord?

Hamer – De curator

Het voelt onwerkelijk. Ik ben te gast in mijn eigen kamer. Meester zit nu achter mijn bureau, in mijn stoel! De relikwieën van negen jaren van hard werken, relaties opbouwen, producten ontwikkelen en verkopen staan op de kasten uitgestald en afgebeeld op foto`s aan de wand. Grappige of mooie relatiegeschenken die ik bewaard had, modellen van producten en verschillende foto’s van mijzelf met enkele van mijn zakenrelaties. De stilte dringt tot mij door, een pijnlijke stilte. De vertrouwde geluiden ontbreken; het gezoem van machines, gedempte voetstappen op de gang, de stemmen van mijn medewerkers. Het bedrijf is een dood gebouw geworden. Meester onderbreekt mijn overpeinzing.
‘Als curator ben ik belast met het faillissementsonderzoek. Dat betekent niet alleen dat ik moet uitzoeken wat het bedrijf nog aan schulden en bezittingen heeft, ik moet ook uitzoeken wat de oorzaak van het faillissement is en of er een doorstart mogelijk is. Daarvoor heb ik de boeken doorgenomen en de inventaris opgemaakt. Er zijn echter een aantal zaken die mij nog niet duidelijk zijn.’…

… Deceptie. Desillusie. Teleurstelling. Frustratie. Dure en minder dure woorden voor mijn gevoel. Ben ik ook nog vergeten te vragen wat Meester met “een snelle doorstart” had bedoeld. Ik heb mij laten inpakken. Kortom: kut! Tegelijkertijd weet ik niet wat ik dan had moeten verwachten. Bewijs dat het een complot tegen mij is? Een gluiperige rat die er op uit is mij kapot te maken, zodat ik een reden heb om hem op zijn bek te slaan? Meester was wel afstandelijk, een regelneuker en bij vlagen onsympathiek, maar een gluiperige rat? Nee. ‘Kom! Je moet nog een bed regelen,’ spreek ik hardop tegen mezelf…
….

… Op het moment dat ik al bijna de straat uitrijd realiseer ik het me: aan de overkant van de straat staat dezelfde meid die mij voor haar papa had aangezien. Ze zal haar vader nu wel gevonden hebben!…

 

Hamer – De juiste man

Het is zijn vaste gewoonte om op zaterdag naar kantoor te gaan om de financiële administratie bij te werken en zaken waar hij in de afgelopen week niet aan toegekomen was af te ronden. Alleen had hij doordeweeks nu tijd genoeg en hoort hij hier niet te zijn; het bedrijf is failliet. Zijn gedrevenheid, stiptheid, nauwkeurigheid en analytische vermogen bleken niet genoeg om dat te kunnen voorkomen…

 

Formeel mocht hij vanwege het faillissement niet in het bedrijf komen, maar op zaterdag was er nooit iemand en hij kon gewoon het pand in. Dus ging hij nog altijd elke zaterdag op dezelfde tijd naar het bedrijf. Alleen de twee weken direct nadat het faillissement was uitgesproken was hij niet gegaan, daarna was het alsof hij door een magneet werd getrokken. Zijn vrouw was het er niet mee eens: ‘Het is een obsessie geworden! …

 

Een geluid dringt tot hem door en hij blijft staan. Vergiste hij zich of hoorde hij de schuifdeur opengaan? Nee, hij vergist zich niet; de “klonk” van de schuifdeuren die tegen elkaar aan komen klinkt verbazend luid in het stille gebouw. Iets heeft de deuren doen opengaan. Zou de curator in een opwelling besloten hebben om langs te rijden? Er komt een gevoel van spijt in hem op omdat hij de deur niet achter zich heeft afgesloten. Met een zucht draait hij zich om en loopt terug in de richting van de ingang. Hij voelt de opluchting dat het niet de curator is, maar zo te zien een koerier met een pakketje die in de hal staat. Die kan hij snel afwimpelen en verzoeken het pand te verlaten. ‘Goedemorgen, waarmee kan ik u van dienst zijn?’…

 

Fischer is verrast en pakt de uitgestoken houder met de transportbon en de pen aan om te tekenen. Wie heeft hem een pakket gezonden? De bestaande klanten zijn allemaal geïnformeerd over het faillissement. ‘Hé!’, roept hij verschrikt, wanneer hij de stekende pijn in zijn duim voelt op het moment dat hij de drukknop van de pen induwt. …

 

Ongeveer 10 minuten later is hij terug, gekleed in een beschermende overall, inclusief hoezen om zijn schoenen. Met snelle slagen bindt hij de voeten van Fisscher met een stevig touw bij elkaar, tilt hem daarna in een brandweergreep op en loopt met hem het magazijn in alsof hij een lappenpop op zijn schouders draagt. Hij loopt naar de heftruck die hij geprepareerd heeft en haakt het touw dat hij om de voeten van Fisscher heeft gedaan aan de haak die hij tussen de lepels van de vorkheftruck heeft bevestigd. Hij gaat op de heftruck zitten en hijst Fisscher op tot zijn hoofd bijna anderhalve meter van de grond getild wordt. Daarna manoeuvreert hij de heftruck zo dat Fisscher boven een bijna een meter hoge ton hangt die midden op het klaargelegde doorzichtige plastic staat. …

‘Schuld? Welke Schuld?’, roept Fisscher, gegrepen door angst bij het zien van het uitdrukkingsloze gezicht van de man die hem hier laat bungelen.

‘Het is tijd om de schuld in te lossen,’ herhaalt deze met dezelfde emotieloze en monotone stem.

‘Schuld? Wilt u geld? Ik kan u -’ Fisscher kan zijn zin niet afmaken. De hamer raakt hem zo hard boven zijn rechterslaap dat zijn schedel een krakend geluid maakt en hij direct bewusteloos is.

 

Ongeveer 15 minuten later loopt hij als koerier met een steekwagen met een kleine ton naar een wit bestelbusje, waarvan het enige opvallende is dat er geen bedrijfsreclame op zit, en laadt de spullen in. In het gebouw heeft hij niets achtergelaten wat naar hem wijst. Niets behalve een blauwe ton met inhoud die niet overeenkomt met de aanduiding op de stelling met tientallen identiek uitziende blauwe tonnen….

 

Na een bezegelende handdruk stapt de Poolse handelaar in de auto en rijdt weg. Die domme Hollander had niet eens gezien dat er nog een elektrische reciprozaag achter de bijrijdersstoel lag. Een koopje met een bonus!

1 2 3