Category Archives: Ontboekemingen

Hamer… Help, ik wil dat het gelezen wordt!

Schrijven is leuk, inspirerend maar het is ook werk. Als ik terugdenk aan de ouderwetse typemachine waarop ik mijn eerste werkstukken voor school schreef – ja ik ben nog van die generatie – ben ik blij dat de arbeid nu, dankzij de computer, minder noest is. Dat neemt niet weg dat ik als schrijver voor mijn inspanning beloond, en in die zin ook erkend, wil worden. De manier om erkenning te krijgen is zorgen dat ik gelezen wordt. Ik speel al enige tijd met verschillend gedachten over hoe ik denk dat voor elkaar te krijgen. Een van die gedachten heb ik hieronder uitgewerkt.

Ik heb niet de illusie dat mijn debuut “Hamer” een schokgolf in de literaire fundamenten teweegbrengt zoals “Ik Jan Cremer” in de jaren zestig. De ideeën van Jan Cremer om rumoer rondom zijn eerste boek te creëren zijn wel de klassieke voorbeelden van creatieve en gerichte marketing om een boek te promoten. In deze tijd een creatieve afgeleide van “’n onverbiddelijke bestseller” op de omslag plaatsen zal, en terecht, weinig meer opleveren dan een meewarige blik. Daarbij doorbreken de het ijzige geweld waar je bloed van gaat zweten of de met ruimte voor verbeelding omschreven seksscènes in mijn boek geen taboes, zoals Jan Cremer wel deed.

Seks en geweld zijn niet wat het boek draagt. Dat is de hoofdpersoon die je meeneemt in zijn strijd. Het is zijn strijd tegen de leegte van zijn bestaan nadat zijn bedrijf tegen alle verwachtingen in failliet gaat en zijn vrouw hem de deur uitzet. Zijn zoektocht naar de mensen en redenen achter het faillissement speelt zich af in de actualiteit van de financiële crisis. De visie op de achilleshiel van het kapitalisme – hebzucht – neem ik voor mijn rekening. Het (on)breekbare van oude vriendschappen is al vaker aangesneden, net als de positieve energie die mensen uit kleine genoegens weten te halen of de verwoesting die woede door vermeend onrecht kan aanrichten.

Wat ik beloof is dat je er niet aan kan ontsnappen om tijdens het lezen opnieuw na te denken over je sympathieën voor de hoofdpersonen. Wat ik verwacht is dat je al lezend door een scala aan emoties geraakt wordt. Ik durf ook zonder schroom te schrijven dat je uiteindelijk met iemand wil praten over het boek – misschien al voor je het uit hebt, of het zelfs maar gelezen hebt…

Nee, ik verwacht niet hetzelfde rumoer teweeg te brengen als “Ik Jan Cremer”. Maar een beetje reuring kan geen kwaad. Toch?

Spring maar achterop… mijn kinderfiets

Een update over de vorderingen. Het corrigeren en aanpassen van Hamer gaat door. Zo heb ik de opening omgegooid en herschreven. Hoe het begint is dus weer een verrassing. Wanneer het boek klaar is ook…

Bij het schrijven wil ik dat je als lezer meegaat in het verhaal, dat de woorden je verbeelding laten spreken. Hieronder een stukje uit Hamer om de nieuwsgierigheid naar het verhaal te prikkelen. De hoofdpersoon, Patrick, is net wakker geworden en beseft dat hij in het ziekenhuis ligt. Dan komt de verpleegster binnen.

‘U bent wakker! Dat is mooi. Hoe voelt u zich?’
Ze lijkt op de vriendelijke buurvrouw die naast mijn ouderlijk huis woonde toen ik nog een hummel op een fiets met zijwieltjes was. De buurvrouw die mij toen regelmatig over mijn bol aaide en zei: “dat ik zo’n lieverdje was.”
‘Adrggehhahhhehhergggeggrr,’ antwoord ik in goed Nederlands.
‘U kunt niet praten, er zit een buis in uw keel,’ reageert ze moederlijk.
‘Dat is wat ik zei,’ spreek ik nu in gedachten en knik met mijn hoofd als teken dat ik het begrijp.
‘Ik zal de dienstdoende arts vragen of we de intubatie eruit kunnen halen,’ vervolgt ze terwijl ze routineus de apparatuur controleert en daarbij aantekeningen maakt. ‘De saturatie is hoog genoeg. Heeft u veel hoofdpijn?’
Ik sper mijn ogen open en trek mijn wenkbrauwen op om aan te geven dat in mijn hoofd de feestband nog lustig op de pauken slaat terwijl de trombonist zich ook niet onbetuigd laat.
‘Juist, ik begrijp het,’ antwoordt ze met een meelevende blik.
Het verbaast mij dat mijn gezicht zo’n open boek is.
De verpleegster vervolgt, ‘U moet nog even doorbijten. Het is een bijwerking van de medicijnen. Als de intubatie eruit is en u hebt kunnen drinken voelt u zich snel een stuk beter.’ Daarna loopt ze de kamer uit.
De dienstdoende arts heeft kennelijk andere prioriteiten dan de buis in mijn keel en ik raak, ondanks de hoofdpijn, verdwaald in een doolhof van gangen vol rook waar geen uitgang in te vinden is. De stem van mijn vroegere buurvrouw roept mij en ik fiets, naar een kant vervaarlijk overhangend op een zijwieltje, in de richting van haar stem. Wanneer ik haar gezicht zie lig ik op mijn rug en merk dat ik zweet, het fietsen was behoorlijk inspannend; de droom is voorbij. Er is een nieuw gezicht: het kijkt zorgzaam en ook enigszins streng naar mij.

De vraag die ik daarbij aan je stel is: zat je achterop?

 

Confrontatie met schrijvers?

Het boek is af! Hoe nu verder? Het begon als een korte anekdote, een element uit een persoonlijke geschiedenis: het idee greep zich vast in het geheugen. De start: contouren van een verhaal ontstaan, de periode is nu, het nu veroorzaakt een crisis, crisis veroorzaakt een conflict, een figuur groeit uit tot een karakter, bladzijden worden gevuld met tekst, er ontstaat een plot.
De tijd die het schrijven vraagt, er is zoveel leuks te doen, ik moet ook werken voor de kost, tijd voor vakantie. Energie, oppakken, gedrevenheid, creativiteit, editor, correcties, corrigeren, laatste bladzijde, het is af.

De afspraak stond al in de agenda: 12 02 2012, Schrijf & Schrap in Breda. Een dag voor schrijvers door schrijvers met o.a. literair agentschap Sebes en Van Gelderen en uitgeverij De Geus; de laatste naam ken ik en van Peter Buwalda heb ik wel eens gehoord, geloof ik… Nog even googelen voor ik op weg ga; ik wil wel eens weten wie de sprekers zijn. Juist: het zijn winnaars. Buwalda heeft een reeks literatuur nominaties en prijzen voor zijn bestsellerdebuut Bonita Avenue, Karin Amatmoekrim heeft de Black Magic Woman Literatuurprijs, Y.M. Dangre de Vlaamse Debuutprijs. Gewapend met nieuwsgierigheid ga ik van huis.

Mijn eerste confrontatie is met Peter Buwalda: hij houdt de deur voor mij open als ik precies achter hem arriveer. Dat het Peter Buwalda was realiseer ik me als hij in de grote zaal als eerste spreker op de rode bank gaat zitten. Dat zijn taalvaardigheid niet beperkt is tot schriftelijke, blijkt als hij inhoudelijk en onderhoudend over het tot stand komen van Anita Avenue vertelt. De andere schrijvers volgen met hun verhaal over debuteren, afgewisseld door een hoofdredacteur van De Geus die de do’s en dont’s – ik zal het niet meer doen – van het contact opnemen met een uitgeverij vertelt. Mijn laatste confrontatie is met Mira Feticu. Ik geef haar de bladzijden van haar debuut Lief kind van mij ­– verschijnt dit voorjaar – terug die zij in de zaal had laten liggen. Op dat moment twijfelde ik of ik gefascineerd werd door de intensiteit en passie waarmee ze eruit voorlas, of de openheid en directheid van het verhaal zelf. Nu weet ik dat zij het was en het precies dat is wat in haar boek terugkomt.

Ik heb in de alinea hiervoor “confrontatie” gebruikt. Dat is niet omdat die mensen confronterend zijn. Het is dat hun verhaal mij met mijn “schrijverschap” confronteert. Hun uitgesproken ervaring is mijn spreekwoordelijke spiegel. Is het intimiderend dat de debutanten Nederlandse letterkunde, Nederlandse literatuur en/of Franse literatuur gestudeerd hebben? Dat het ervaren redacteurs zijn, of journalist, of oprichter van een tijdschrift, of allemaal? Een beetje: de debuterende piloot, Buddy Tegenbosch, bevestigt de regel. De confrontatie heeft er wel voor gezorgd dat ik mijn boek nu als een goed verhaal zie.

Aan het begin vroeg ik: Hoe nu verder?
Het herschrijven is begonnen. Jan Brokken Het Hoe en Jan Renkema Schrijfwijzer heb ik als raadgevende naslagwerken liggen. Het is een goed verhaal: dat is niet goed genoeg. Wanneer is een goed verhaal een goed boek? Is er een pasklaar antwoord?

Hamer – De curator

Het voelt onwerkelijk. Ik ben te gast in mijn eigen kamer. Meester zit nu achter mijn bureau, in mijn stoel! De relikwieën van negen jaren van hard werken, relaties opbouwen, producten ontwikkelen en verkopen staan op de kasten uitgestald en afgebeeld op foto`s aan de wand. Grappige of mooie relatiegeschenken die ik bewaard had, modellen van producten en verschillende foto’s van mijzelf met enkele van mijn zakenrelaties. De stilte dringt tot mij door, een pijnlijke stilte. De vertrouwde geluiden ontbreken; het gezoem van machines, gedempte voetstappen op de gang, de stemmen van mijn medewerkers. Het bedrijf is een dood gebouw geworden. Meester onderbreekt mijn overpeinzing.
‘Als curator ben ik belast met het faillissementsonderzoek. Dat betekent niet alleen dat ik moet uitzoeken wat het bedrijf nog aan schulden en bezittingen heeft, ik moet ook uitzoeken wat de oorzaak van het faillissement is en of er een doorstart mogelijk is. Daarvoor heb ik de boeken doorgenomen en de inventaris opgemaakt. Er zijn echter een aantal zaken die mij nog niet duidelijk zijn.’…

… Deceptie. Desillusie. Teleurstelling. Frustratie. Dure en minder dure woorden voor mijn gevoel. Ben ik ook nog vergeten te vragen wat Meester met “een snelle doorstart” had bedoeld. Ik heb mij laten inpakken. Kortom: kut! Tegelijkertijd weet ik niet wat ik dan had moeten verwachten. Bewijs dat het een complot tegen mij is? Een gluiperige rat die er op uit is mij kapot te maken, zodat ik een reden heb om hem op zijn bek te slaan? Meester was wel afstandelijk, een regelneuker en bij vlagen onsympathiek, maar een gluiperige rat? Nee. ‘Kom! Je moet nog een bed regelen,’ spreek ik hardop tegen mezelf…
….

… Op het moment dat ik al bijna de straat uitrijd realiseer ik het me: aan de overkant van de straat staat dezelfde meid die mij voor haar papa had aangezien. Ze zal haar vader nu wel gevonden hebben!…

 

Hamer – De juiste man

Het is zijn vaste gewoonte om op zaterdag naar kantoor te gaan om de financiële administratie bij te werken en zaken waar hij in de afgelopen week niet aan toegekomen was af te ronden. Alleen had hij doordeweeks nu tijd genoeg en hoort hij hier niet te zijn; het bedrijf is failliet. Zijn gedrevenheid, stiptheid, nauwkeurigheid en analytische vermogen bleken niet genoeg om dat te kunnen voorkomen…

 

Formeel mocht hij vanwege het faillissement niet in het bedrijf komen, maar op zaterdag was er nooit iemand en hij kon gewoon het pand in. Dus ging hij nog altijd elke zaterdag op dezelfde tijd naar het bedrijf. Alleen de twee weken direct nadat het faillissement was uitgesproken was hij niet gegaan, daarna was het alsof hij door een magneet werd getrokken. Zijn vrouw was het er niet mee eens: ‘Het is een obsessie geworden! …

 

Een geluid dringt tot hem door en hij blijft staan. Vergiste hij zich of hoorde hij de schuifdeur opengaan? Nee, hij vergist zich niet; de “klonk” van de schuifdeuren die tegen elkaar aan komen klinkt verbazend luid in het stille gebouw. Iets heeft de deuren doen opengaan. Zou de curator in een opwelling besloten hebben om langs te rijden? Er komt een gevoel van spijt in hem op omdat hij de deur niet achter zich heeft afgesloten. Met een zucht draait hij zich om en loopt terug in de richting van de ingang. Hij voelt de opluchting dat het niet de curator is, maar zo te zien een koerier met een pakketje die in de hal staat. Die kan hij snel afwimpelen en verzoeken het pand te verlaten. ‘Goedemorgen, waarmee kan ik u van dienst zijn?’…

 

Fischer is verrast en pakt de uitgestoken houder met de transportbon en de pen aan om te tekenen. Wie heeft hem een pakket gezonden? De bestaande klanten zijn allemaal geïnformeerd over het faillissement. ‘Hé!’, roept hij verschrikt, wanneer hij de stekende pijn in zijn duim voelt op het moment dat hij de drukknop van de pen induwt. …

 

Ongeveer 10 minuten later is hij terug, gekleed in een beschermende overall, inclusief hoezen om zijn schoenen. Met snelle slagen bindt hij de voeten van Fisscher met een stevig touw bij elkaar, tilt hem daarna in een brandweergreep op en loopt met hem het magazijn in alsof hij een lappenpop op zijn schouders draagt. Hij loopt naar de heftruck die hij geprepareerd heeft en haakt het touw dat hij om de voeten van Fisscher heeft gedaan aan de haak die hij tussen de lepels van de vorkheftruck heeft bevestigd. Hij gaat op de heftruck zitten en hijst Fisscher op tot zijn hoofd bijna anderhalve meter van de grond getild wordt. Daarna manoeuvreert hij de heftruck zo dat Fisscher boven een bijna een meter hoge ton hangt die midden op het klaargelegde doorzichtige plastic staat. …

‘Schuld? Welke Schuld?’, roept Fisscher, gegrepen door angst bij het zien van het uitdrukkingsloze gezicht van de man die hem hier laat bungelen.

‘Het is tijd om de schuld in te lossen,’ herhaalt deze met dezelfde emotieloze en monotone stem.

‘Schuld? Wilt u geld? Ik kan u -’ Fisscher kan zijn zin niet afmaken. De hamer raakt hem zo hard boven zijn rechterslaap dat zijn schedel een krakend geluid maakt en hij direct bewusteloos is.

 

Ongeveer 15 minuten later loopt hij als koerier met een steekwagen met een kleine ton naar een wit bestelbusje, waarvan het enige opvallende is dat er geen bedrijfsreclame op zit, en laadt de spullen in. In het gebouw heeft hij niets achtergelaten wat naar hem wijst. Niets behalve een blauwe ton met inhoud die niet overeenkomt met de aanduiding op de stelling met tientallen identiek uitziende blauwe tonnen….

 

Na een bezegelende handdruk stapt de Poolse handelaar in de auto en rijdt weg. Die domme Hollander had niet eens gezien dat er nog een elektrische reciprozaag achter de bijrijdersstoel lag. Een koopje met een bonus!

Hamer. Hoe het begint – Ontsnappen aan de werkelijkheid -

Het geluid van de zware luchthoorn overstemde het indringende lawaai van de ratelende dieselmotor en de suizende banden van de 20-tons vrachtwagen. Ik zag hoe het lichaam door de voorkant van de vrachtwagen gegrepen werd en alle botten in het lichaam verbrijzeld werden voor het, met achterlating van een bloedig spoor, onder de vrachtwagen getrokken werd. Het was een harde film waarbij niet geschuwd werd om in te zoomen, om de ontluisterende details in slow motion in de hoogst haalbare filmkwaliteit te laten zien. Ik kende de hoofdrolspeler; ik was het zelf. Ik weet niet waarom ik in beweging kwam. Empathie voor de chauffeur? Instinctieve overlevingsdrang? Mijn tweede voet stond nog niet op het trottoir of de vrachtwagen denderde op centimeters achter mijn rug langs. Ik wankelde onder de zuigende luchtklauwen van de vrachtwagen, alsof hij probeerde zijn prooi alsnog te grijpen. Zijn luchthoorn brulde mij een verwensing na.

Mijn hoofd was niet leeg. Het was een warrige brij. Losse gedachten, woorden en beelden flitsten door mijn hoofd zonder begin of eind. Het onmiskenbare diepe gegrom van de twee cilinders van een voorbijrijdende Harley Davidson was de verbinding met de werkelijkheid. Een auditieve reddingslijn in mijn apathische gedachtesoep. De herinnering aan betere tijden? Ik herkende de straat waar ik stond en begon te lopen. Hoe lang ik daar had gestaan? Geen idee!

Gisteren was ik eigenaar van een goedlopend bedrijf dat machines ontwikkelde en produceerde voor de fabricage van microchips en zonnecellen. Vandaag ben ik failliet. Correctie: mijn bedrijf is failliet. De financiële crisis was de voorbode geweest van de ondergang. …

 

… Vanochtend was de curator gekomen en had beslag gelegd en daarmee in feite mijn bedrijf overgenomen. ‘Geen zorgen,’ had de curator droog tegen hem gezegd, ‘volgens de wet vallen uw bed en beddengoed en dat van uw gezin buiten het faillissement. U kunt rustig thuis gaan slapen.’ Thuis slapen? Wist de curator dat hij een ironische grapjas was? Mijn aankomende ex was dat in ieder geval wel! Toen ik gisteravond thuiskwam stond er een voor mij vertrouwd duo voor de deur: zijn reiskoffer en -tas. Zij vertelde mij dat zijn huwelijk ook bankroet was, dat hij niet meer binnen hoefde te komen. Ik had niet eens de moeite genomen om te controleren of zij de sloten had laten veranderen. …

 

… Wat kan ik haar verwijten? Er zijn altijd minimaal twee mensen nodig om uit elkaar te groeien en daar was ik er een van. Onze relatie had ik alle ruimte gegeven om uiteen te vallen. De laatste twee jaar leefden we feitelijk alleen nog naast elkaar in hetzelfde huis. We deelden bank, bed en wederzijdse vrienden, maar echt samenzijn waarbij elkaars aanwezigheid genoeg was voor een grenzeloos geluksgevoel was een herinnering uit de eerste jaren van onze relatie; de tijd dat we nog verliefd waren. De jaren waarin het gezegde dat je aan een relatie moet werken om hem in stand te houden niet voor ons bestemd leek. De ruïne van mijn huwelijk was een nieuwe bevestiging van de waarheid van de volkswijsheid. …

 

‘Papa!’, riep de onbekende stem bevelend achter hem.

Ik draaide me om en keek stoïcijns naar de jonge meid die naar mij had geroepen. Ze stond ongeveer tien meter van me af, een puber met een ondefinieerbare leeftijd tussen de veertien en achttien jaar. Geen kind van de melancholische gothic cultuur of anarchistische punk. Ook geen zichtbare sporen van de in de grauwheid van de gereformeerde doctrine geketende jongeling, of een veelkleurig toonbeeld van wederopleving van de flowerpower. Nee, spijkerbroek met laaghangend kruis, afgedragen volgens ontwerp, frisse kleuren met boventoon van zwart; een “gewoon” modevolgend hiphop-streetdance-chillend kind. Het herfstbladrode haar en de bijpassende sproeten in het gezicht waren zo te zien wel van haar zelf. Wat wilde ze van mij?

‘Ooo…, sorry. Ik dacht dat u iemand anders was,’ sprak ze met hoorbare teleurstelling in haar stem.

“Ja, was ik maar iemand anders!”, schoot het door mijn hoofd. Zonder iets te zeggen draaide ik me om en liep verder. …

 

… ‘Wat ga je nu doen Patrick?’, vroeg Ingrid, nadat ze op een stoel had plaatsgenomen.

‘Op vakantie,’ hoorde ik mezelf tot mijn eigen verbazing zeggen. Vakantie was een vriendelijk eufemisme voor ontsnappen aan de werkelijkheid.

‘Vakantie?’

‘Weekje met de motor rondtoeren om mijn kop leeg te blazen. Misschien dat ik daarna logisch kan nadenken.’

 

Met een druk op de knop kwamen de cilinders van de Moto Guzzi grommend tot leven. De Stelvio produceerde een aangename diepe brom. Diepe bassen die op de grens lagen van het toegestane geluid. Ik trok mijn handschoenen aan, schakelde de motor in zijn eerste versnelling en reed kalm weg. Bij de hoek van de straat stak ik een hand op naar Ruud, een laatste groet. Terwijl de motor versnelde voelde ik de koude lucht die nog in de ochtendschemering heerste door het motorpak heen. Amper een uur later reed ik Duitsland binnen. …

1 2 3