Category Archives: Ontboekemingen

Geen vrolijkheid, gewoon een momentopname…

Een korte ontboekeming uit Hamer. Geen vrolijkheid. Ach, het is maar een momentopname…

Gekleed in schone kleding zit hij op de rand van zijn bed. De kamer staart hem aan en hij staart terug zonder iets te zien. Een emmer ijswater stort over hem uit; het dringt tot hem door: er is niets te zien! Het is alsof hij geen verleden heeft, nooit bestaan heeft. Geen foto aan de muur, ingelijst op de kast of ingeplakt in een boek als bewijs dat hij actief geleefd heeft. Alleen de ring aan zijn vinger als bewijs dat er iemand in zijn leven is van wie hij houdt: hij van haar, maar zij van hem? Geen kinderen die zijn naam in de toekomst dragen, niet met trots of gewoon, onachtzaam: ze zijn er niet. Als hij hier en nu sterft blijft er niets over, niets dan een vervagende herinnering, een voetnoot in de geschiedenis die binnen een generatie voorgoed uit de boeken verdwijnt. Het bed wordt opgetild, hoger en hoger. Zijn benen bungelen over de rand terwijl daaronder alleen een oneindig duistere diepte te zien is. Hij laat zich vallen.

Zijn verdoofde lichaam blijft liggen terwijl zijn ogen zoeken naar de bron van het gerinkel. Het duurt even voor hij zich realiseert dat het zijn telefoon is. Hij staat op, zijn oren leiden zijn ogen naar de mobiele telefoon, het rinkelen stopt. Stilte, twijfel over de noodzaak om de twee passen te overbruggen. Dan piept de telefoon. Het geluid: het is de piep die aangeeft dat de batterij leeg is. Hij weet niet waar de lader ligt, waar moet hij beginnen met zoeken? Hij gaat weer op bed liggen.

Het geluid van aanhoudend bonzen dringt door in zijn hoofd en Patrick opent zijn ogen. Aan het zonlicht dat opnieuw directe toegang tot zijn kamer heeft gevonden ziet hij dat de avond zijn tijd opeist. Er wordt opnieuw gebonsd: er staat beneden iemand aan de deur. Het lijkt erop dat hij weer wat energie heeft teruggevonden en hij besluit op te staan. Als hij de buitendeur opent kijkt hij in het gezicht van Lydia. Waarom is zij hier?

‘Patrick? Wat zie je er uit. Lag je te slapen?’ Haar gezichtsuitdrukking is een mengeling van bezorgdheid en verontwaardiging.

‘Eh, ja.’ Hij heeft geen idee hoe hij er uitziet.

Brandhout voor Hamer

Hamer: geen spontane boekverbranding

Het begint met brandhout, die conclusie durf ik te trekken na het teruglezen van de eerste versie van Hamer. De vraag is waar het eindigt: in de boekenkast of op de brandstapel? Maar zeg nu zelf, een boekverbranding in een maatschappij waar de verkoopcijfers van pornografische chicklits de stoutste dromen van uitgeverijen overspoeld: hoe realistisch is dat?

Geen open haard

Van mijn eerste boek, zei ik boek? Nou ja de warrige vertelling in driehonderd gebundelde bladzijden waarvan de editor het na 30 bladzijden opgaf; ik weet waar dat ‘boek’ beland is: in een nis van mijn uitdijende digitale ruimte, verbit. Er is ook een versie op papier, in een kast, in mijn woning; ik heb geen open haard.

Veel brandhout

Wat ik tot nu toe geschreven heb: de anekdotische vertellingen, de doordachte korte verhalen, de hoofdstukken van twee dikke manuscripten; wat is dat dan? Wat is er nodig om ergens leuk de brand in te krijgen, laten we zeggen een flink kampvuur waar een grote groep mensen een hele nacht en langer plezier van hebben? Juist: aanmaakhout, sprokkelhout en brandhout, veel brandhout!

The Big Picture: stapels die zwabberen

Oké, het brandhout is er. Wanneer wordt het vuurtje aangestoken? Het is een bekende verontschuldiging op voorhand: “Ervaringen uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst.” Mijn ervaring is dat de vorige keer het hout nog te nat was, sterker nog: ik had niet eens een stapel. Dat is waar ik nu mee bezig ben: stapelen – zeg maar de “big picture”. Zoals een proeflezer onverbloemd, daardoor onvolprezen, aangaf: “dilemma/conflict: zorg dat er tijdsdruk komt.” en “Het middenstuk is langdradig. m.i. omdat het zwabbert.” Stapels die zwabberen, daarmee krijg je een vuur niet goed aan het branden, en opschonen, nietsontziend de natte troep opschonen.

Tekstontwikkeling van eerste manuscript naar verhaal…

Een kijkje in de ontwikkeling van Hamer.

Hoe een tekst verandert na een manuscriptbeoordeling en de reacties van proeflezers van de aangepast versie? Of je moet zoeken naar de verschillen?

Huidige versie

Ingrid doet open. Hij ziet de schrik die in haar ogen verschijnt. Die blik weerspiegelt zijn gemoedstoestand, de hulpeloze verwarring en de snerpende pijn van verlies dat hij voelt. Het is een verschijning die hij zelf de deur zou wijzen, als het geen vriend zou zijn.

‘Kom binnen,’ zegt Ingrid nu zichtbaar bedroefd.

Zwijgend loopt Patrick de hal in, hangt zijn jas op en loopt de woonkamer binnen om in een hoek van de driezitsbank weg te kruipen. De stramheid in zijn kuiten en de vermoeidheid in zijn voeten dringt zich nu pas op. Zijn lichaam voelt nu ook. Hij heeft meer dan twee uur gelopen. Ingrid komt uit de keuken en zet een kop heet water met daarin een zet-het-zelftheezakje voor hem neer. Het water is nog niet eens verkleurd.

‘Wat ga je nu doen Patrick?’, vraagt Ingrid zachtjes, nadat ze op een stoel is gaan zitten.

‘Op vakantie.’ Vakantie is een vriendelijk eufemisme voor ontsnappen aan de werkelijkheid.

‘Vakantie?’

‘Weekje met de motor rondtoeren om mijn kop leeg te blazen. Misschien dat ik daarna logisch kan nadenken.’ De ontsnappingsmogelijkheid heeft hij aan Ruud te danken. Hij heeft mijn vrouw zover gekregen dat Ruud zijn motor en motorkleding vanmiddag heeft kunnen ophalen.

‘Oh.’ Ingrid knikt.

Begrijpt ze dat hij hier niet kan zijn omdat de vrijheid om niets te hoeven doen hem beangstigd? Dat hij moet vechten om hier door te komen en dat hij zelf de vijand is die hij moet verslaan? Patrick kent Ingrid goed genoeg om te weten dat ze met hem meeleeft en dat hij niet weg hoeft. Maar ze kan niets doen. Het maakt niet uit wat ze ervan vindt, het is zijn strijd. Hij neemt een slok van zijn thee en sluit zijn ogen.

Met een druk op de knop komen de twee cilinders van de Moto Guzzi grommend tot leven. De Stelvio produceert een aangename diepe brom. Diepe bassen die op de grens liggen van het toegestane geluid. Ze verkondigen de belofte van instant vakantie en directe vrijheid. Normaal wordt hij vrolijk van dat geluid. Nu herinnert het Patrick eraan dat hij meer vrijheid heeft dan hij handelen kan. Het rijden op de machine moet de sombere chaos in zijn hoofd verdringen; de concentratie die het rijden vraagt laat geen ruimte over voor andere gedachten. Daarom is de Stelvio zonder twijfel de beste reisgezel die hij nu kan verdragen. Hij trekt zijn handschoenen aan, schakelt de motor in zijn eerste versnelling en rijdt kalm weg. Bij de hoek van de straat steekt hij een hand op naar Ruud en Ingrid. Terwijl de motor versnelt voelt hij de koude lucht die nog in de ochtendschemering heerst in zijn gezicht. Amper een uur later rijdt hij Duitsland binnen. Op weg zonder een ander doel dan het nu achter zich te laten.

Wat de manuscriptbeoordelaar te lezen kreeg

‘Kom binnen,’ zei Ingrid nadat ze de deur had geopend.

Zwijgend liep ik de hal in, hing mijn jas op en liep de woonkamer binnen om in een hoek van de 3-zits bank weg te kruipen. De stramheid in mijn kuiten en de vermoeidheid in mijn voeten drong zich nu pas op. Mijn lichaam voelde nog wel. Ik had meer dan twee uur gelopen. Ingrid kwam uit de keuken en zette een kop heet water met daarin een zet-het-zelftheezakje voor me neer. Het water was nog niet eens verkleurd.

‘Wat ga je nu doen Patrick?’, vroeg Ingrid, nadat ze op een stoel had plaatsgenomen.

‘Op vakantie,’ hoorde ik mezelf tot mijn eigen verbazing zeggen. Vakantie was een vriendelijk eufemisme voor ontsnappen aan de werkelijkheid.

‘Vakantie?’

‘Weekje met de motor rondtoeren om mijn kop leeg te blazen. Misschien dat ik daarna logisch kan nadenken.’ De mogelijkheid had ik aan Ruud te danken. Hij had mijn vrouw zover gekregen dat hij mijn motor en motorkleding vanmiddag had kunnen ophalen.

Met een druk op de knop kwamen de twee cilinders van de Moto Guzzi grommend tot leven. De Stelvio produceerde een aangename diepe brom. Diepe bassen die op de grens lagen van het toegestane geluid. Ik trok mijn handschoenen aan, schakelde de motor in zijn eerste versnelling en reed kalm weg. Bij de hoek van de straat stak ik een hand op naar Ruud en Ingrid. Terwijl de motor versnelde voelde ik de koude lucht, die nog in de ochtendschemering heerste, door de motorkleding heen. Amper een uur later reed ik Duitsland binnen. Op weg zonder een ander doel dan het nu achter mij te laten.

Hamer: “laat zien, vertel niet!”

Eindelijk is het zover: de definitieve versie is af! Definitief in de zin dat het verhaal staat, het plot duidelijk en de karakters spreken. De twijfel over de persoonsvorm is weg en de ontknoping is op advies aangepast. Dan is er nog een weg te gaan: proeflezers.

Proeflezers: het geluk van de schrijver.

Proeflezers, de ongebonden betrokken vrijwilligers die lezen met passie. Lezers die hun indrukken, gevoel en – door het lezen van honderden zo niet duizenden boeken – ervaring willen teruggeven aan mij, de schrijver. De eerste reacties van de proeflezers heeft mij duidelijk gemaakt dat ik de persoon ben die zich gelukkig mag prijzen.

Verplichting

Verschillende mensen, verschillende meningen. Dat is duidelijk uit de eerste reacties. Het is prachtig om de verschillen in beleving terug te krijgen, te ervaren met welke energie en aandacht het gelezen is. Het schept ook een verplichting. De verplichting om er iets mee te doen. Waarover ik het heb? “Laat zien, vertel niet!”

Laat zien, vertel niet!

Het is iets wat ik herken uit de boeken die ik gelezen heb. Een karakter moet je meenemen in zijn verhaal, emotie, pijn, verdriet. Een vertelling raakt niet. Een vertelling is informatief. Het is een nuttig, nee noodzakelijk element in een boek. Het moet wel op het juiste moment in het verhaal gebruikt worden. In het eerste hoofdstuk heb ik dat niet voor elkaar gekregen. De oplossing: werk!

Een gedeeltelijke “ontboekeming”

Het is mijn eigen uitvaart! Met moeite weet Patrick de deur van de kantine open te trekken. Hij dwingt zichzelf naar binnen te gaan. Patrick krimpt ineen als de deur met een klap achter hem dichtvalt. De zwaarmoedige stilte van het verzamelde personeel golft over hem heen. Weg! Hij wil hier weg! Patrick kijkt naar de starende gezichten van de mensen die geholpen hebben zijn bedrijf groot te maken. Bij een enkeling ziet hij nog een glimp van hoop, de verwachting van een wonder op het gezicht. Zijn maag smeekt om een zuurremmer. Een onzichtbare hand knijpt zijn keel dicht. Zijn mond lijkt gevuld met zand. Hij slikt een aantal keer en schraapt zijn keel. ‘Ik ben er niet in geslaagd het faillissement te voorkomen. Na vandaag heeft een curator het voor het zeggen.’

Er wordt gevloekt, een stoel omver getrapt.

‘Ik dank jullie voor de inzet en fijne samenwerking.’ Patrick hoort het zichzelf zeggen. Hoe stom dat klinkt! 

Hij ziet de vertrouwde gezichten maar kent de gezichtsuitdrukkingen niet. Hij hoort de vragen die ze op hem afvuren. De woorden raken hem. Toch pareert hij niet: geen verontschuldigingen. Ze gaan over een toekomst waarin hij onverbiddelijk buitenspel is gezet. Hij zegt niet dat het hem spijt dat het zo gegaan is. Dat het de schuld van de financiële crisis is, van de bank. Het zouden gekunstelde woorden zijn, aaneengeregen tot nietszeggende zinnen.

Nadat de woede en frustratie in de ruimte is neergeslagen begint de uittocht. Een voor een lopen zijn medewerkers langs hem naar de uitgang: zijn voormalige werknemers. Ieder neemt op zijn manier afscheid. Elke uitgestoken hand, de opbeurende of berustende woorden, de teleurgestelde of verontschuldigende blik: ze trekken iets uit hem. Als de laatste persoon vertrokken is blijft de leegte over.

 

 

Hamer: “begin opnieuw”! (2)

De conclusie van de redacteur na het lezen van het manuscript van Hamer is onverbiddelijk: “begin opnieuw”. In de vorige blog heb ik al verteld dat het mij raakte. Doordat ik ook verhaalt heb wat de redacteur inhoudelijk schreef, reken ik erop dat je begrijpt dat ik het niet met een schouderophalen afdoe. Wat ik niet verteld heb is dat ik een deel van zijn onderbouwing wegliet. Waarom? Dat doet er niet toe nu het hieronder alsnog te lezen is. Daarnaast, en misschien wel het belangrijkste, vertel ik wat ik met zijn reactie ga doen: opgeven, herschrijven of opnieuw beginnen?

Stijl

Over de stijl is het niet louter kommer en kwel: “verder valt er op de stijl niet veel aan te merken, behalve dat de taal te flets is om voor leesgenoegen te zorgen.” Nu ben ik benieuwd wat er gebeurd als er wel veel aan te merken is, maar om bij het onderwerp te blijven, de opmerking is dat de twee hoofdpersonen geen of nauwelijks herkenbare persoonlijkheid hebben. Als onderbouwing wordt aangegeven dat “het temperament, de stemming en de intenties van dat personage moet in de taal terechtkomen, zodat de taal gekleurd wordt door ironie, sarcasme, ontroering, chagrijn enzovoort.” Voor de dader onderschrijf ik die conclusie, voor de hoofdrolspeler niet. Natuurlijk, er zijn dialogen waar de tegenstelling scherper kan en het karakter of de stemming van de hoofdpersoon sterker neergezet kan worden.

De personages

De hoofdlijn is al benoemd ”persoonlijkheid”. Dat wordt ook voor twee van de belangrijkere bijrollen, de echtgenote en de vriend, genoemd. Hier om de omslag in karakter tussen het begin en het einde van het verhaal. Voor de vriend in het verhaal zie ik dat ik te grote stappen heb genomen, niet overdreven, ongeveer vier mijl… Voor de echtgenote niet, in mijn beleving, misschien, moet ik naar kijken. Het risico dat wordt aangegeven is dat een goede interactie tussen hen en de hoofdpersoon daardoor niet mogelijk is. Die interactie heeft ook invloed op de dialogen en, zo wordt benadrukt, “dat om een boeiend verbaal duel te creëren , wat elke goede dialoog moet zijn, de personages altijd tegenover elkaar gezet moeten worden, ook als de ‘goeden’ tegen over elkaar zitten.”

Plot en inhoud

Hier wordt de redacteur “streng”.  De door mij gekozen verrassende ontknoping “‘eindigt’ te open voor een thriller.” De conclusie wordt gevolgd door het advies dat het een verrassing is die in de regel niet gewaardeerd wordt door redacteuren. Mijn snelle weerwoord: “maar wel door de lezers?”, wordt ingehaald door het besef dat mijn ego ook de vingers over het toetsenbord kan laten bewegen.

Het advies waar ik mee begonnen ben: “begin opnieuw” wordt in enkele helder geformuleerde zinnen toegelicht. “Geef de hoofdpersoon een echte tegenstander, niet een spook waarmee hij niets te maken heeft. Zorg dat er meer tussen de personages gebeurt. Hoe meer intense interactie er is, des te minder komt het verhaal als een mechaniekje over. Zet uw grote kennis van het onderwerp, zowel technisch als financieel-zakelijk, in om de thriller niet alleen van spanning te voorzien maar ook van ‘inhoud’.” Een ding is duidelijk aan het eind van dit tweedelig blog: alles tussen de eerste zin en deze laatste alinea mag u snel weer vergeten. Ik ben namelijk de auteur die met het tussenstuk aan het werk wordt gezet.

De beoordeling van het manuscript van Hamer is gedaan door Hans ter Mors van Bureau Script Noordwijk.

Beoordeling Hamer: “begin opnieuw”!

Als je als schrijver je manuscript aan een redacteur voorlegt voor een beoordeling is “begin opnieuw” niet de conclusie die je wilt lezen. Het is wel wat ik afgelopen weekend las. Dat is…, ja wat is het? Wat doet het met mij? Het doet pijn. Niet zoals een gaatje bij de tandarts dat ook na het boren zeurt. Het is als de afwijzing door een geliefde. Een recente liefde die van het verkennende stadium naar consumptie is overgegaan, een liefde waarvan je gelooft dat je bij de ander past, dat er een toekomst voor samen is en dan wordt je uit die warme beloftevolle omhelzing weggeduwd! Dat zij het toch heel anders ziet en het samen leuk was, voor even. Dan wordt ik even stil… Maar niet te lang: het is slechts een verhaal niet mijn leven. Opnieuw de beoordeling lezen: wat staat er nu echt? Waarom zal het “geen toegang krijgen tot de boekenmarkt”? Au, moet ik toch naar de tandarts?

Constructie

“Het verhaal is te veel ‘constructie’, in die zin dat de lezer te goed kan zien hoe de auteur aan het timmeren is…” en “… de lezer zal zich daardoor onvoldoende betrokken voelen bij de lotgevallen van de twee hoofdpersonen.” Daar wordt een van de kernelementen van het onderscheid tot een verhaal en een goed boek geraakt: de lezer erin betrekken. De redacteur reikt de oplossing vervolgens aan: “Dat is allereerst een technische kwestie: in de scènes wordt niet bewust genoeg voor één vertelperspectief gekozen. Met een paar eenvoudige ingrepen is dit te verhelpen en dan krijgen we absoluut een beter script.” De verteltechnische fouten, of zoals de redacteur het aanduidt als ‘het dwarrelen’ van perspectief tussen de verschillende personen in een scène waardoor sommige passages verwarrend zijn.  Verwarrend? Waar heb ik dat eerder gehoord. Oké, niet meer fladderen, gewoon stevig op de stok blijven zitten. Dat ik er daarmee nog niet ben is al duidelijk geworden doordat ik de conclusie van de redacteur “begin opnieuw” al in het begin heb verklapt.

De opzet en de rol van de verteller

“Het meest opvallende van de opzet is natuurlijk dat naast de hoofdpersoon ook de dader gevolgd wordt, een aanpak die uitzonderlijk is in een thriller.” De redacteur noemt het evidente voordeel dat
doordat de lezers weten wat de dader van plan is de auteur veel spanning creëert, en laat niet na het nadeel te benoemen dat juist hierdoor het constructie-achtige van het verhaal zo nadrukkelijk aanwezig blijft. De vraag is natuurlijk hoe zorg ik ervoor dat het minder constructie wordt? Indirect geeft de redacteur een aanwijzing, namelijk zorg dat de hoofdpersoon meer karakter krijgt en waarschuwt direct dat schrijvers in de praktijk “het perspectief niet bij een krankzinnige seriemoordenaar leggen omdat dat niet geloofwaardig in te vullen is.” Het dilemma waar ik mee worstel is om het perspectief van de dader volledig te schrappen tegenover het kiezen van niet gebaande paden.

Dat ik wel vaker de gangbare oplossing negeer en kies voor een ander aanpak blijkt uit de reactie op mijn keuze voor de rol van de hoofdpersoon, waarbij ik de ik-persoon in de tegenwoordige tijd laat vertellen. Zoals ik nu begrijp is het een mogelijkheid, maar alleen door de ‘ik’ consequent te laten reageren op het hier-en-nu. Die consequentie ontbreekt door wisseling van tegenwoordige met verleden tijd en reflecties, erger nog: ik ga de mist in door een dialoog samen te vatten. Het is duidelijk dat ik hier struikel over een taalhindernis en plat op m’n bek val. Eh nee: ik ben gestruikeld en plat op mijn bek gevallen.

Hoe nu verder? Daar kom ik op terug!

De beoordeling van het manuscript van Hamer is gedaan door Hans ter Mors van Bureau Script Noordwijk.

“Hamer!” Is het DE titel?

Ik hanteer voor mijn boek al langere tijd “Hamer!” als titel. Het is een naam die terugslaat op de inhoud en waar ik vrij eenvoudig woordspelingen mee kan maken. Woordgrappen met “hamer” vind ik weer lastig, ze raken de kern niet of missen de plank. Het is wel een titel waar ik lange tijd heel tevreden mee ben. Maar ja, nadat ik gelezen had dat een titel een potentiële lezer nieuwsgierig moet maken, begon ik te twijfelen: loopt de potentiële lezer er ook mee weg?

Wie bereik ik met ‘Hamer’ als titel? Trek ik vooral de aandacht van de doe-het-zelfers? De kans dat een amateur-vakman het boek ook koopt acht ik daarbij niet erg groot. Sterker nog, het is waarschijnlijker dat deze het boek in verwarring teruglegt. Gewoon omdat een techneut de logische verbinding tussen de bijzondere bloemen die van de cover afspatten – tulpen, rozen of lelies (ik ben nog in tribio) – met het handgereedschap niet kan maken.

Het onvermijdelijke gevolg – van twijfelen – is dat ik een nieuwe titel heb bedacht: “Het verlies dat het meeste pijn doet.” Daarbij verbind ik de woorden ‘verlies’ en ‘pijn’ met een cover waar een bos bloemen op de grond liggen alsof ze door iemand in teleurstelling of woede zijn neergegooid. Elke bloem moet door de compositie van de bloembladen een symbool van verbinding uitstralen. Een afbeelding die roept om aandacht. Maar ja, lok ik daarmee niet alleen nieuwsgierige biologen? Verwelkt de afbeelding niet elk initieel enthousiasme bij de vrijetijdsbloemenkweker? Is het wel verstandig dat die titel op zichzelf staat, of is het eerder op zijn plaats als ondertitel van “Hamer!”? En schrik ik daarmee alsnog die doe-het-zelfer af die ook graag een spannend boek leest zolang het maar niet te romantisch wordt? Of ben ik nu aan het wa(o)uwelen?

Goed genoeg, is dat ook goed genoeg?

Hoe vaak moet je een zelf geschreven verhaal herlezen om de onvolkomenheden eruit te halen? Wanneer is het dan goed? Nou, het is nooit goed genoeg. Of toch wel? In ieder geval vind ik elke keer dat ik het lees weer nieuwe dingen die ik kan verbeteren. De twijfel is er: is het goed genoeg?

Waarom niet? Een zes is toch ook voldoende?

We zijn ermee opgegroeid, onze ‘zesjes cultuur’. Ook ik heb verschillende opleidingen op die manier met een diploma afgerond, maar verdien ik daarom lof? Iedereen die een boek leent of koopt doet dat om er plezier aan te beleven of om er iets van te leren, misschien wel allebei. En dan valt het tegen: het boeit niet, is ongeloofwaardig, langdradig of vul de ergernis uit eigen ervaring maar in. Ondanks dat is het met veel inspanning en goede bedoelingen geschreven, geredigeerd, van een aansprekende cover voorzien, gedrukt en uitgegeven. Daardoor is het zeker een zes waard, misschien een kleine zeven. Als een zesje wordt het alleen niet uitgelezen, laat staan cadeau gegeven om iemand een plezier mee te doen; het is als de fles wijn met het veelbelovende etiket waarvan je de inhoud door de gootsteen spoelt.

Moet het dan een bestseller zijn?

Natuurlijk niet. Maar om Peter Buwalde opnieuw aan te halen: “je moet een boek schrijven dat je zelf graag op je verjaardag krijgt.”

Wat is er nog te verbeteren?

Wat ik zoal tegenkom? Bij mijn laatste verbeterlezing was het het vraagteken dat als afsluiting bij een vragende zin ontbrak en een zin waar ik twee keer hetzelfde woord achter elkaar had gebruikt. Dat laatste kan correct zijn, maar was het in dat geval niet. Ook heb ik hele alinea’s geschrapt en andere toegevoegd. Ik heb de namen van personen gewijzigd om daarna te constateren dat er vier mannen met de naam Willem in het verhaal rondlopen. Dat is zelfs voor de schrijver verwarrend! En de opening? Die heb ik al vijf keer herschreven.

Uit handen geven.

Genoeg over twijfel bij het her-over-schrijven: tijd voor bevestiging. Ik heb het opgestuurd naar een erkende en ervaren redacteur. Die heeft toegezegd het manuscript serieus te beoordelen en dat vervolgens open en helder naar mij te verwoorden. Ik wacht zijn reactie in alle rust af…

Het brullen van de gorilla

De zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten.

Zit ik op de goede weg? Als aankomend debutant van “Hamer” knaagt die vraag aan mijn vertrouwen tijdens het schaven en corrigeren van het boek. Dat er voor een schrijver, laat staan als nieuwkomer, geen geplaveid pad is naar het grote lezerspubliek staat vast. Maar als ik er achter kan komen dat de door mij ingeslagen weg doodloopt voor er een bladzijde gedrukt is, kan ik nog teruglopen om een andere weg te zoeken. De weg die ik zoek is niet meer dan een pad in het woud van de boekenwereld. Een woud is veranderlijk. Het is doorvlochten met hindernissen. De doorgang van gisteren is vandaag overwoekerd. Zwiepende takken slaan kleding en huid stuk, natte bladeren draineren de energie uit het lichaam, de zuigende aarde rooft de schoenen van de voeten. Het is vechten en ploeteren om toegang te krijgen tot een wereld die gesloten wil blijven.

Tips over het schrijven van een goede seksscène

Deze week las ik op tzum.info een recensie van een boek van Ilja Leonard Pfeijffer: “Hoe word ik een beroemd schrijver?”, geschreven door Coen Pepelenbos. Ik weet niet wat precies de doorslag gaf om het boek te bestellen? Misschien de belofte dat het voor iedere aankomende schrijver met gevoel voor ironie een aanrader is? Of de herinnering aan zijn tips over het schrijven van een goede seksscène: dat de beleving en de gedachten van de spelers tijdens de daad veel interessanter zijn dan de beschrijving van de seks zelf? De wetenschap dat hij in zijn oeuvre over de breedte van het schrijverschap de verdieping heeft opgezocht? Het waarom maakt niet uit, het resultaat wel. Ik heb het boek eergisteren bij mijn lokale boekhandel opgehaald en Pfeijffer daarmee indirect ­– gerekend naar de hoogst haalbare 15% schrijversprovisie die ik hem toedicht – een biertje geschonken.

Omdat het doorweven is met humor

Het brullen van de gorilla, dat is het beeld dat in mij opkwam halverwege het lezen van Pfeijffer’s “Hoe word ik een beroemd schrijver?” Het imponeren met zijn kennis, het geroffel op de borst over het bespelen van interviewers en de woestheid waarmee hij zijn kritiek op de, in zijn beleving, onbenullige critici en gemarkeerde recensenten rondslingert. Nu ik het helemaal gelezen heb zie ik zijn boek eerder als een anekdotische inkijk in het leven van een succesvol literair schrijver dan een leidraad om er een te worden. Voor iemand zoals ik, die het (deeltijd) schrijverschap ambieert, geven de anekdoten wel een verdiepende helikopterblik op de schrijverswereld: het oerwoud blijft net zo gesloten, maar je weet wel wat je te wachten staat als je er toch in weet door te dringen. De ondertitel: “Een literair zelfhulpboek” onderbouwt Pfeijffer feilloos in zijn boek. Daarnaast schenkt hij mij in het hoofdstuk: “Moeten we thrillerschrijvers serieus nemen?”, alle argumenten waarom ik in een eerder blog schrijf dat “Hamer” een literaire thriller is. Bovenal is het een prettig boek om te lezen, niet in de laatste plaats omdat het doorvlochten is met humor – zelfs als die een donkere sluier draagt –, en zijn er voor elke schrijver aanwijzingen te ontdekken om zijn eigen gekrabbel te verbeteren – zelf heb ik nog het (on)nodige bloemwerk te wieden in de dialogen van “Hamer”.

Het is Ilja de zilverrug die brult

Na het lezen heb ik mijn eerdere beeld ook bijgesteld: het is Ilja de zilverrug die brult. Het zijn verbale waarschuwingen om zijn literaire woud niet te betreden met pulp, ongefundeerde kritiek of als onbenullige recensent.

Hoe doe ik dat: debuteren?

Als schrijver wil ik dat Hamer straks gelezen wordt. Ik wil dat Hamer een succes wordt. Heb ik al gemeld dat ik een debutant op het schrijverspodium ben? Bij deze dan. De vraag die daarom steeds in mij opkomt is: hoe doe ik dat, debuteren? Voor mijn doelgroep, de liefhebber van het literaire spannende boek, ben ik een onbekende. Ik heb ook geen geschiedenis, en daarmee berekenbare marktwaarde, als journalist, redacteur, politicus of andere televisiepersoonlijkheid.

Zei ik literair? Ja, ik neem het voorschot dat de toekomstige lezer Hamer als literair werk erkent. Gewaagd? Nauwelijks. Pretentieus? Dat zou het zijn als ik mij op voorhand een niet toegekend hoofddeksel aanmeet. Ambitieus? Ja, volmondig ja.

De geijkte weg is via een van de bekende uitgevers. De kans om daartussen te komen? Een manuscript uit een “slash pile”! Buiten dat er in het Nederlands taalgebied een beperkt aantal uitgevers zijn, geven deze per jaar minder nieuwe titels uit. Daarbij krijgen Nederlandse vertalingen van de in het buitenland bewezen kassuccessen steeds vaker de voorkeur boven de maagdelijke debutant.

Dat de vertrouwde route over het geplaveide pad prevaleert boven de mogelijke verrassing van de onbekende weg werd deze week (22 april 2012) bevestigd in het programma Kunststof TV. In dit geval door Joost Nijsen, oprichter van uitgeverij Podium, die in het programma zat om, o.a., zijn eigen boek ‘ABC van de literaire uitgeverij’ te promoten. Op de vraag van presentator Joost Karhof: ‘Hoe kom je aan een goed boek?’, reageerde hij met: ‘in de manuscriptenstapel zit  bijna nooit wat in.’ Oké, niet echt hoopvol. Verderop in de uitzending vertelde hij: ‘Maar meestal komen ze anders tot je als uitgever. Komen ze via via bij je. Mensen die je kennen of een actrice…’

Is dat de oplossing? Zorgen dat ik bekend word? Of zorgen dat ik iemand ken die een uitgever kent? Daar denk ik dus over na. Ondertussen maak ik de volgende slag in het redigeren van Hamer.

1 2 3