Author Archives: keesvanwouw

Voor het dodengericht

Hij begon. Een stap naar voren en een harde klap: het glas brak onder de impact.

De zaalwacht sprong op, staarde hem aan, verbijsterd, aarzelend, sprak toen opgewonden in zijn portofoon.

Ze hoefden zich niet te haasten: hij zou nergens heen gaan. Kalm pakte hij de scarabee en veegde zachtjes het glasgruis van het hartsieraad. Het rustte in zijn handpalm, vertrouwd alsof het slechts wachtte op het moment om opnieuw tot leven te komen. De verfijnde inscriptie; de hiërogliefen had hij ontcijferd: de betekenis stond in zijn hoofd gegrift, de betekenis, niet de vertaling. De historie van de uitzonderlijke scarabee, de geschiedenis van de generaal, het eerbetoon op zijn laatste reis: het was onderdeel van zijn studie geweest. De ongebruikelijke gouden zetting, een nooit opgelost mysterie. Het mysterie oplossen… het zou zijn naam vestigen, onsterfelijk maken, onsterfelijk als de scarabee. Die verleiding. Hij had naar Caïro gewild, de verzamelde historie uit het Egyption Museum willen verkennen, duiken naar de oorsprong van het raadsel, de oplossing vinden. Dat museum was nog niet hersteld van de jongste geschiedenis. Daarom was hij naar Boston gegaan, naar het Wilbour Library of Egyptology in Boston. Daar had hij, ook tot zijn eigen verassing, de aanwijzing ontsloten uit de historische archieven.

Geen zachte tikken op glad marmer, fluistering op ruwe steen, onhoorbaar in woestijnzand; Egyptische bewakers zouden blootsvoets aangesneld zijn, zonder aarzeling, geen genade. Dit waren gehaaste voetstappen, de impact op de stenen vloer gedempt door de uit kunststoffen gefabriceerde verende zolen, bijna schuchter.

‘Meneer!’

Ze waren nu met zijn drieën. De oudste had hem aangesproken. Bij IJssellandvogels tegen VVOG liepen ook suppoosten. Het was jaren terug dat hij voor het laatst een volleybalwedstrijd had bezocht.

‘Ik wil dat u het voorwerp voorzichtig neerlegt en met ons meekomt.‘ Het was dezelfde suppoost.

Het ‘voorwerp’: symbool voor schepping. Wat als hij het mis had? Met oranje hesje verplichte plantsoendienst, 100 uur? Minstens, ook als hij het bij het rechte eind had. Onweerstaanbaar. Met zijn linkerhand greep hij de zijkant van de zetting, met rechts pakte hij de scarabee… hij draaide! De minuscule naald prikte in zijn duim. Onbewust kromp hij in elkaar. De ingenieuze constructie ontrafelt, de naald zat alleen aan de zijkant. Zijn duim klopte, een allergische reactie, het moest een allergie zijn: het gif was dertig eeuwen oud. Zijn arm gevoelloos, verkrampt. Had hij het mis? Koude rilling langs zijn ruggengraat, zo moe, zijn hoofd schokte, oncontroleerbaar. De aansnellende bewakers, het was te laat. Hij viel opzij, brekend glas, gillen, alarm of bezoeker? Hij voelde dat hij het bewustzijn zou verliezen, zo koud. Die laatste zin: “Het hart wordt verzocht niet te getuigen tegen zijn eigenaar voor het dodengericht.” Had hij gelijk en zich vergist? Onomkeerbaar?

 

‘Dag Peter, ik had niet verwacht je terug te zien? In ieder geval niet zo snel.’

‘Terugzien? Bent u ook dokter? Ik voel me weer prima, nou ja de jeuk in mijn armen, maar de verpleegster zei dat het door de hechtingen kwam. Ik zal blij zijn als ze eruit zijn.’

‘Ik ben dokter Lankhorst. Je bent eerder bij mij onder behandeling geweest,’ zegt hij en maakt een aantekening op een formulier. ‘Van mijn collega begrijp dat de littekens nagenoeg zullen verdwijnen. Kun je je nog herinneren wat er in het museum…, het Rijksmuseum van Oudheden is gebeurd?’

‘Het gif doktor. Dat het na ruim 3000 jaar nog zou werken: daar had ik niet op gerekend.’

‘Het gif? Dat is interessant Peter. Hoe ben je daarmee in aanraking gekomen?’

‘Dat zat verborgen in de scarabee! Maar waarom vraagt u dat, dat heb ik toch aan de politie verteld. En waar is uw collega, doktor Vermeer? Hij zou de hechtingen eruit halen.’

‘Hij komt vanmiddag,’ zegt Lankhorst geruststellend. Hij leest opnieuw het proces verbaal van de politie. Archeoloog? ‘En, heb je het geheim opgelost Peter?’

‘Het geheime compartiment. De naald met het gif zat daarin verborgen.’

De broche, natuurlijk. ‘Daar wil ik graag meer van weten. Vindt je het goed als we daar morgen over praten Peter?’

Peter haalt zijn schouders op. ‘Als u dat wilt.’

‘Graag zelfs. Tot morgen Peter.’ Terwijl hij wegloopt neemt Lankhorst zich voor na te vragen of er een herhaling van een van de Indiana Jones avonturenfilms op tv is geweest. Meer was er niet nodig om Peters geest tot een levensecht avontuur te verleiden, helemaal als Peter zijn medicijnen niet innam.

Geen vrolijkheid, gewoon een momentopname…

Een korte ontboekeming uit Hamer. Geen vrolijkheid. Ach, het is maar een momentopname…

Gekleed in schone kleding zit hij op de rand van zijn bed. De kamer staart hem aan en hij staart terug zonder iets te zien. Een emmer ijswater stort over hem uit; het dringt tot hem door: er is niets te zien! Het is alsof hij geen verleden heeft, nooit bestaan heeft. Geen foto aan de muur, ingelijst op de kast of ingeplakt in een boek als bewijs dat hij actief geleefd heeft. Alleen de ring aan zijn vinger als bewijs dat er iemand in zijn leven is van wie hij houdt: hij van haar, maar zij van hem? Geen kinderen die zijn naam in de toekomst dragen, niet met trots of gewoon, onachtzaam: ze zijn er niet. Als hij hier en nu sterft blijft er niets over, niets dan een vervagende herinnering, een voetnoot in de geschiedenis die binnen een generatie voorgoed uit de boeken verdwijnt. Het bed wordt opgetild, hoger en hoger. Zijn benen bungelen over de rand terwijl daaronder alleen een oneindig duistere diepte te zien is. Hij laat zich vallen.

Zijn verdoofde lichaam blijft liggen terwijl zijn ogen zoeken naar de bron van het gerinkel. Het duurt even voor hij zich realiseert dat het zijn telefoon is. Hij staat op, zijn oren leiden zijn ogen naar de mobiele telefoon, het rinkelen stopt. Stilte, twijfel over de noodzaak om de twee passen te overbruggen. Dan piept de telefoon. Het geluid: het is de piep die aangeeft dat de batterij leeg is. Hij weet niet waar de lader ligt, waar moet hij beginnen met zoeken? Hij gaat weer op bed liggen.

Het geluid van aanhoudend bonzen dringt door in zijn hoofd en Patrick opent zijn ogen. Aan het zonlicht dat opnieuw directe toegang tot zijn kamer heeft gevonden ziet hij dat de avond zijn tijd opeist. Er wordt opnieuw gebonsd: er staat beneden iemand aan de deur. Het lijkt erop dat hij weer wat energie heeft teruggevonden en hij besluit op te staan. Als hij de buitendeur opent kijkt hij in het gezicht van Lydia. Waarom is zij hier?

‘Patrick? Wat zie je er uit. Lag je te slapen?’ Haar gezichtsuitdrukking is een mengeling van bezorgdheid en verontwaardiging.

‘Eh, ja.’ Hij heeft geen idee hoe hij er uitziet.

Naschokken

De kansel trilt. Pastoor Wolf ziet het, ook de onrust die over zijn kerkgangers trekt. Met vaste stem schakelt hij over naar het slot van zijn preek: na de zegen zal hij ze naar buiten leiden. Grote kaarsen vallen om, het middenschip schudt, neerdalend stof; pastoor Wolf kijkt omhoog, naar waar het kraakt. Hij heft zijn handen en roept de Heer, roept om Zijn zegen.

 

Die blaatkop! Niets kunnen ze geheim houden. Stug trapt hij door.

‘Meneer Stam, verschijnt u met trillende knieën voor de commissie?’, roept de journalist terwijl deze voor de toegangspoort springt en de gepimpte microfoon als een degen naar voren steekt.

Roze spraakknots, symbool van cabareteske journalistiek; stand-up nieuwsgaring waardoor zelfs ervaren politici over hun woorden struikelen, niet hij: hij vreet komedianten. Met een zwier zwaait hij zijn rechter been over het zadel en ketent zijn fiets aan het hek: veilig. Dan draait hij zich om. ‘Meneer Harker, ik herinner mij weer wat ik de afgelopen vijf jaren niet gemist heb.’

‘Meneer Stam, u komt boete doen voor de aardbeving van Delfzijl?’

‘De commissie onderzoekt de oorzaak van het instorten van de Oude Kerk. Alle vragen van de commissie zal ik zonder terughoudendheid beantwoorden. Het is ook aan de commissie om conclusies over de schuldvraag te trekken.’

‘Honderdeenentwintig gewonden, dertig doden waaronder drie kinderen die nog een heel leven voor zich hadden: raakt u dat niet.’

‘Zeker, en mijn gedachten en medeleven gaan nog dagelijks uit naar de slachtoffers, naar hun familie en vrienden, naar iedereen die door dat onvoorspelbare leed getroffen is.’

‘Onvoorspelbaar… Heeft uw ministerie in het jaar vóór de verwoestende aardbeving geen onderzoek laten uitvoeren naar de aardschokken in Groningen?’

‘Dat is correct. Het onderzoek gaf aan –’

‘Dat er maar één oorzaak voor de aardschokken in het gebied was: de gaswinning.’

Die grijns… ‘Zoals u zich misschien herinnert, meneer Harker, was het mijn opvatting dat men elkaar laat uitspreken. Dat standpunt is in de afgelopen jaren niet veranderd.’

‘De conclusies van dat onderzoek ook niet meneer Stam: hoe groter de aardgaswinning hoe groter de kans op een zware aardbeving. Heeft u toen de verkeerde beslissing genomen?’

‘Er is een gedegen risicoanalyse uitgevoerd. De kans dat dezelfde persoon twee keer de hoofdprijs in de lotto zou winnen was groter,’ hij sluit zijn ogen, – de cijfers van de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse, onuitwisbaar gebeiteld in zijn brein: € 2.744.541 per dode, € 282.164 per ziekenhuis gewonde – even, ‘dan dat er een zware aardbeving zou komen. `Een besluit om te stoppen met de aardgaswinning rechtvaardigde het verlies van 11 miljard aan aardgasbaten niet. De aardbeving was een gemiddelde aardbeving: 4,8 op de schaal van Richter. Dat de beving optrad tijdens een bijzondere viering in een 16e eeuws kerkgebouw dat daarna gesloten zou worden voor restauratie kon niemand voorzien.’

‘Heeft u vermindering van de gaswinning overwogen, of gaf de crisis de doorslag?’

11 miljard: per jaar!  ‘‘Het had niets met de economische crisis…’ Stam kijkt op zijn horloge. ‘Excuus, de commissie wacht.’

Schrijfpauze…

Schrijfpauze, het laat weinig ruimte voor wilde fantasieën over wat er bedoeld wordt, expliciet of impliciet. De werkelijkheid is, in ieder geval voor mij, dat mijn schrijfpauze niet betekent dat ik niet meer schrijf. Zo schrijf ik voor mijn blog, geef al tikkende reacties op andermans – kan andervrouws ook ? –  schrijfsels of doe creatieve vingeroefeningen die zich bijvoorbeeld uit in een inzending voor een schrijfwedstrijd.

Het geestelijk archief

Wat het wel betekent? Het manuscript van Hamer heb ik opzij gelegd. Niet omdat ik er “klaar mee ben”. Nee, het manuscript ligt tijdelijk in het digitale archief opgeborgen. Die digitale locatie, hoe handig dat tegenwoordig ook is, is niet waar het om draait. Het opbergen in het geestelijk archief, daar draait het om. De onderbreking van aandacht op tekstopbouw, van de zoektocht naar taalvirtuositeit, de drive om een (geweldig) debuut te publiceren.

Correctieblind

Er wordt in verschillende publicaties op gewezen: er komt  een moment waarop je correctieblind wordt, blind voor je eigen schrijfsels. Dat je niet meer ziet waar de spanning wegzakt, karaktertrekken door elkaar lopen, taalkundige fouten niet meer ziet en verbeteringen feitelijk een verslechtering worden. Dat is het moment om een manuscript opzij te leggen, zoals ik heb gedaan, zes weken terug. Ik kan weer met frisse blik lezen.

Zelf doen

“Kan ik helpen met snijden?”, vraagt Annelies.
Het is de jaarlijkse week wintersport. Le Corbier Frankrijk dit keer en een heel huis voor onze groep van zes. Vandaag is het mijn beurt om voor het avondeten te zorgen. Het recept voor de quiche is aangepast op de lokaal verkrijgbare producten: het wordt een aardappel-venkel-champignon-paprika ovenschotel.
“Dat hoeft niet, de aardappels zijn al gedaan.”

“Merci Madam”, zeg ik en pak mijn bankpas en de kassabon aan. Terwijl ik naar mijn auto loop berg ik ze op in mijn portemonnee.
“Je vindt het toch niet erg dat ik hier ben gaan zitten?”, zegt Annelies als ik achter het stuur ga zitten.
“Nee hoor, gezellig.”
“Ik heb de hele reis nog niet voorin gezeten.” Ze wrijft met haar hand langzaam over het dashboard, voelt het ruw gevormde kunststof, maakt kennis met de voor haar nieuwe plek.

Ik start de auto en kijk naar Annelies. Enkele seconden gaan voorbij, dan kijkt ze naar mij, ze fronst. “Voorin moet je wel de gordel omdoen.”
“Oh.” De ogen zijn groot.
Ik lach, “anders gaat de auto piepen.”
“Als je moe bent moet je het zeggen, dan rijd ik.”
Ik zet de auto in de eerste versnelling en trek op.

In het westen worden de wolken aangelicht door de ondergaande zon, wij moeten naar het noorden. Nog 450 kilometer naar Maastricht, de snelheidsregelaar op de toegestane 130, het navigatiesysteem geeft aan dat we er om 00.05 uur zijn. Met de stuurbediening geef ik Johnny Clegg and Savuka een stem in de beperkte ruimte. “Tijd voor Afrikaanse sferen,” zeg ik.
“Wil je een dropje of pepermuntje?”, vraagt Annelies.
“Nee dank je, ik kan overal bij.”

“Zijn we al in Belgiē?”, vraagt Annelies.
“Bijna, we zitten nog net in Luxemburg.” Ik trek de middenarmsteun omhoog en pak het snoepblik uit het opbergvak. “Iemand een Ricola?”
De armsteun wil niet terug. Met een hand probeer ik orde in het opbergvak te creēren.
“Lukt het?”
Mijn vingers zitten klem tussen twee blikken en de wand van het opbergvak. “Ja hoor.”
“Zelf doen.”
… Ik trek mijn hand terug.
Annelies neemt het over.

 

Een manuscript moet rijpen

Onrijp epistel

Zouden ze over de grond gerold hebben van het lachen, de broek vol gepiest? Ik denk het niet. Het was gewoon het zoveelste onrijpe epistel dat beoordeeld moest worden en wat hooguit tot ergernis leidde, misschien zelfs een kortstondige  bloeddrukverhoging, al schuilt daarin altijd het risico van een infarct, maar daar kunnen ze mij niet verantwoordelijk voor houden. Over wie ik het heb? De redacteuren van de uitgeverijen aan wie ik de eerste versie van Hamer stuurde. Nu, een jaar later, ben ik aan versie 4 van het manuscript bezig, zogezegde de ge-her-re-editte versie. De fase waarin een boek zijn pubertijd ontgroeid en de giechel of baard uit de stem van het verhaal verdwijnt.

Elke reactie op een adolescent manuscript  verdient lof

Achteraf – ik ben niet iemand die blijft staan als er een koe voorbij loopt maar kijk nieuwsgierig wat er nog meer op mijn pad komt – begrijp ik waarom uitgevers zo karig zijn in hun reactie op ingezonden manuscripten. Redacteuren die een standaard afwijzing versturen op de adolescente manuscripten verdienen al lof, laat staan de redacteur die er twee inhoudelijke a4-ren aan wijde om te eindigen met het verzoek om de volgende keer niet het begeleidend schrijven aan de concurrent-uitgever in de envelop te stoppen. Tja.

Rijping van schrijverij

Achteraf – ik ben niet iemand die somber constateert dat zijn glas halfvol is maar zoek iemand die mij nog een keer wil bijschenken – begrijp ik waarom mijn manuscript nog niet klaar was om naar een uitgeverij te sturen. Daarvoor heb ik eerst de kritiek moeten accepteren, nee omarmen. sindsdien werk, studeer, herlees, hervorm, kneed en, om het belangrijkste niet te vergeten,  schrap en schaaf ik.

Wanneer is het volgroeid? Bij een publicatie natuurlijk!

Brandhout voor Hamer

Hamer: geen spontane boekverbranding

Het begint met brandhout, die conclusie durf ik te trekken na het teruglezen van de eerste versie van Hamer. De vraag is waar het eindigt: in de boekenkast of op de brandstapel? Maar zeg nu zelf, een boekverbranding in een maatschappij waar de verkoopcijfers van pornografische chicklits de stoutste dromen van uitgeverijen overspoeld: hoe realistisch is dat?

Geen open haard

Van mijn eerste boek, zei ik boek? Nou ja de warrige vertelling in driehonderd gebundelde bladzijden waarvan de editor het na 30 bladzijden opgaf; ik weet waar dat ‘boek’ beland is: in een nis van mijn uitdijende digitale ruimte, verbit. Er is ook een versie op papier, in een kast, in mijn woning; ik heb geen open haard.

Veel brandhout

Wat ik tot nu toe geschreven heb: de anekdotische vertellingen, de doordachte korte verhalen, de hoofdstukken van twee dikke manuscripten; wat is dat dan? Wat is er nodig om ergens leuk de brand in te krijgen, laten we zeggen een flink kampvuur waar een grote groep mensen een hele nacht en langer plezier van hebben? Juist: aanmaakhout, sprokkelhout en brandhout, veel brandhout!

The Big Picture: stapels die zwabberen

Oké, het brandhout is er. Wanneer wordt het vuurtje aangestoken? Het is een bekende verontschuldiging op voorhand: “Ervaringen uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst.” Mijn ervaring is dat de vorige keer het hout nog te nat was, sterker nog: ik had niet eens een stapel. Dat is waar ik nu mee bezig ben: stapelen – zeg maar de “big picture”. Zoals een proeflezer onverbloemd, daardoor onvolprezen, aangaf: “dilemma/conflict: zorg dat er tijdsdruk komt.” en “Het middenstuk is langdradig. m.i. omdat het zwabbert.” Stapels die zwabberen, daarmee krijg je een vuur niet goed aan het branden, en opschonen, nietsontziend de natte troep opschonen.

Tekstontwikkeling van eerste manuscript naar verhaal…

Een kijkje in de ontwikkeling van Hamer.

Hoe een tekst verandert na een manuscriptbeoordeling en de reacties van proeflezers van de aangepast versie? Of je moet zoeken naar de verschillen?

Huidige versie

Ingrid doet open. Hij ziet de schrik die in haar ogen verschijnt. Die blik weerspiegelt zijn gemoedstoestand, de hulpeloze verwarring en de snerpende pijn van verlies dat hij voelt. Het is een verschijning die hij zelf de deur zou wijzen, als het geen vriend zou zijn.

‘Kom binnen,’ zegt Ingrid nu zichtbaar bedroefd.

Zwijgend loopt Patrick de hal in, hangt zijn jas op en loopt de woonkamer binnen om in een hoek van de driezitsbank weg te kruipen. De stramheid in zijn kuiten en de vermoeidheid in zijn voeten dringt zich nu pas op. Zijn lichaam voelt nu ook. Hij heeft meer dan twee uur gelopen. Ingrid komt uit de keuken en zet een kop heet water met daarin een zet-het-zelftheezakje voor hem neer. Het water is nog niet eens verkleurd.

‘Wat ga je nu doen Patrick?’, vraagt Ingrid zachtjes, nadat ze op een stoel is gaan zitten.

‘Op vakantie.’ Vakantie is een vriendelijk eufemisme voor ontsnappen aan de werkelijkheid.

‘Vakantie?’

‘Weekje met de motor rondtoeren om mijn kop leeg te blazen. Misschien dat ik daarna logisch kan nadenken.’ De ontsnappingsmogelijkheid heeft hij aan Ruud te danken. Hij heeft mijn vrouw zover gekregen dat Ruud zijn motor en motorkleding vanmiddag heeft kunnen ophalen.

‘Oh.’ Ingrid knikt.

Begrijpt ze dat hij hier niet kan zijn omdat de vrijheid om niets te hoeven doen hem beangstigd? Dat hij moet vechten om hier door te komen en dat hij zelf de vijand is die hij moet verslaan? Patrick kent Ingrid goed genoeg om te weten dat ze met hem meeleeft en dat hij niet weg hoeft. Maar ze kan niets doen. Het maakt niet uit wat ze ervan vindt, het is zijn strijd. Hij neemt een slok van zijn thee en sluit zijn ogen.

Met een druk op de knop komen de twee cilinders van de Moto Guzzi grommend tot leven. De Stelvio produceert een aangename diepe brom. Diepe bassen die op de grens liggen van het toegestane geluid. Ze verkondigen de belofte van instant vakantie en directe vrijheid. Normaal wordt hij vrolijk van dat geluid. Nu herinnert het Patrick eraan dat hij meer vrijheid heeft dan hij handelen kan. Het rijden op de machine moet de sombere chaos in zijn hoofd verdringen; de concentratie die het rijden vraagt laat geen ruimte over voor andere gedachten. Daarom is de Stelvio zonder twijfel de beste reisgezel die hij nu kan verdragen. Hij trekt zijn handschoenen aan, schakelt de motor in zijn eerste versnelling en rijdt kalm weg. Bij de hoek van de straat steekt hij een hand op naar Ruud en Ingrid. Terwijl de motor versnelt voelt hij de koude lucht die nog in de ochtendschemering heerst in zijn gezicht. Amper een uur later rijdt hij Duitsland binnen. Op weg zonder een ander doel dan het nu achter zich te laten.

Wat de manuscriptbeoordelaar te lezen kreeg

‘Kom binnen,’ zei Ingrid nadat ze de deur had geopend.

Zwijgend liep ik de hal in, hing mijn jas op en liep de woonkamer binnen om in een hoek van de 3-zits bank weg te kruipen. De stramheid in mijn kuiten en de vermoeidheid in mijn voeten drong zich nu pas op. Mijn lichaam voelde nog wel. Ik had meer dan twee uur gelopen. Ingrid kwam uit de keuken en zette een kop heet water met daarin een zet-het-zelftheezakje voor me neer. Het water was nog niet eens verkleurd.

‘Wat ga je nu doen Patrick?’, vroeg Ingrid, nadat ze op een stoel had plaatsgenomen.

‘Op vakantie,’ hoorde ik mezelf tot mijn eigen verbazing zeggen. Vakantie was een vriendelijk eufemisme voor ontsnappen aan de werkelijkheid.

‘Vakantie?’

‘Weekje met de motor rondtoeren om mijn kop leeg te blazen. Misschien dat ik daarna logisch kan nadenken.’ De mogelijkheid had ik aan Ruud te danken. Hij had mijn vrouw zover gekregen dat hij mijn motor en motorkleding vanmiddag had kunnen ophalen.

Met een druk op de knop kwamen de twee cilinders van de Moto Guzzi grommend tot leven. De Stelvio produceerde een aangename diepe brom. Diepe bassen die op de grens lagen van het toegestane geluid. Ik trok mijn handschoenen aan, schakelde de motor in zijn eerste versnelling en reed kalm weg. Bij de hoek van de straat stak ik een hand op naar Ruud en Ingrid. Terwijl de motor versnelde voelde ik de koude lucht, die nog in de ochtendschemering heerste, door de motorkleding heen. Amper een uur later reed ik Duitsland binnen. Op weg zonder een ander doel dan het nu achter mij te laten.

2012 in retrospectief? Nee dank je.

2012 ten einde

Zoals aan alles komt ook aan dit jaar een einde. Ik kom in de verleiding er een cliché aan te koppelen, maar ik doe het niet, ik vertik het, het is te eenvoudig, te kinderlijk. Ik wil niet terugblikken op 2012. Geen retrospectief over de veronderstelde gemene deler die 2012 kenmerkt. Waarom ook? Met zoveel mensen die vanuit hun eigen perspectief kijken, wordt  elke uitkomst daardoor niet als onevenwichtig beschouwd?

2012 in historisch perspectief

Bovendien wordt het jaar doorkruist vanuit historisch perspectief. De geschiedenis voorspeld dat dit jaar te eindigen op 21-12-2012.  Als je daar over nadenkt, en als weldenkend mens is dat een niet te stoppen eigenschap, betekent het dat er na de 21ste er geen perspectief meer is: voor niemand! Zul je net zien: geen oud en nieuw, geen oliebollen, geen champagne, wel een knal! En als ik ergens een hekel aan heb is het geluidsoverlast.

Doorstomen naar 2013

Ach, ik ben geen doemdenker of familie van Sombermans: in het ergste geval slaan we kerst dit jaar over en stomen direct door naar 1 januari 2013. Proost! Oh nee, er was geen champagne…

1 2 3 4 6